De koers als een spel

Bespreking biografie "Bernard Hinault: de renner, zijn tegenstanders, zijn opvolgers" van William Fotheringham (vertaald, uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2015)

De afgelopen dagen las ik genoemd boek, het levensverhaal van een jeugdidool. De schrijver, de Engelsman Fotheringham, kende ik al van zijn uitmuntende biografie over landgenoot Tommy Simpson. Dat boek waardeerde ik vanwege de atypische opzet. Er wordt niet zoals gebruikelijk de chronologie van een carrière besproken, maar het boek meandert thematisch langs alle relevante aspecten.
Iets dergelijks herkende ik ook in de biografie van Bernard Hinault, zij het in mindere mate. Wat goed blijft is de grondige research, de veelkleurigheid aan geraadpleegde bronnen, en de levendige schrijfstijl, al is die wat verwaterd door de vertaling.


Het boek laat zich lezen als een heldenepos, niet vreemd als we de palmares van deze Fransman in ogenschouw nemen. Zijn overwinningen kondigden zich al aan vanaf zijn vroege jeugd. Hij denderde bij wijze van spreken het peloton binnen in die dagen. Dat lag uitsluitend aan de opvallende wijze waarop hij de overwinningen boekte. In 1977 won hij de Dauphiné na een spectaculaire val in de afdaling van de Col de Porte, vervolgd door een ‘te voet stelling’ op de afsluitende klim naar de Bastille in Grenoble, en dat alles live op de Franse TV. Zijn reputatie van heldhaftigheid en vechtlust was meteen gevestigd. Panache, een woord dat lijkt uitgevonden voor deze man.


Veel terechte aandacht wijdt Fotheringham aan de legendarische exploiten in de jaren die volgde, denk aan de sneeuwjacht van LBL in 1980, het WK in Sallanches in hetzelfde jaar, de raids in Lombardije, de overwinning met machtsprint op de baan van Roubaix. Maar ook de rennersstaking in de Tour van 1978, waar Hinault zich op het schild van ‘patron’ liet hijsen. Een trouvaille in het boek vond ik de zwaarbevochten overwinning in de Vuelta van 1983.


Ook interessant is de relatie tussen de renner en zijn ploegleider Guimard, beide Breton, over hun successen en de verwijdering. En de opkomst van parijzenaar Fignon, de spanningen tussen deze quasi-intellectueel en de boersig lompe Hinault.


Als slotstuk van de imposante loopbaan staat Fotheringham uitgebreid stil bij het koningsdrama uit de Tour van 1986. Het duel tussen heerser-troonopvolger, koning-kroonprins, vader-zoon, tussen Hinault en Lemond. Na een onverwacht venijnige aanval in de eerste de beste Pyreneeën-etappe stond de Das (de achtergrond en betekenis van die bijnaam wordt ook uitgebreid besproken) op pole-position om het geel voor de 6e keer Parijs binnen te loodsen. Gewoon in het wiel blijven van Lemond had volstaan. Dat soort laf gedrag zou Hinault echter nooit vertonen. In een vlaag van overmoed trok hij de volgende bergetappe meteen weer ten aanval, daarmee aan eind van de dag zijn kansen op de eindoverwinning verspelend. Dit is Bernard Hinault ten voeten uit: zijn impulsieve wispelturigheid, zijn opportunisme, zijn intimidatie en ook zijn gebrek (of beter: maling aan) aan tactiek. Zie ook de Tour van ’84: hoe meer Fignon de aanvallen van Hinault ridiculiseerde, hoe kwader en wraakzuchtiger de laatste werd.


Vele koersvolgers hebben van Hinault gezegd dat hij gefixeerd was op de 6e overwinning in ‘86. En uiterst onbetrouwbaar, getuige het toneelstukje later in de ronde op de Alpe d’Huez: hand-in-hand met Lemond over de streep. De analyse van Fotheringham weerlegt dat, vooral op grond van Hinaults eigen toelichting. “Ik genoot van spanning, van verrassing. Die gele trui interesseerde me niet. Voor mij was de koers vooral een spel.”


Op het laatst maakt Fotheringham nog een analyse van het ‘zwarte gat’ waar het Franse wielrennen in terecht kwam na het tijdperk Hinault. Dat was voor mij niet nodig geweest. Er zullen altijd cycli van succes en neergang zijn. Het motto van “cyclisme en deux vitesses” verheldert ook niet veel.


Tijdens lezing kwamen bij mij de vele inspirerende beelden en herinneringen terug. Eentje met name staat haarscherp op mijn netvlies. De kasseirit in de Tour van 1980, regen, barslecht weer, het hele veld uit elkaar geslagen, een kopgroepje met Kuiper. Meer nog dan die beelden maakte de opmerking van de commentator van dienst op een gegeven moment bij mij eeuwige indruk: “ik krijg nu door dat Hinault op komst is”. “Hinault is op komst”, dat gaat door merg en been, wee je gebeente, het is uit met het speelkwartier, de Das komt orde op zaken stellen.


Hinault was een renner die lak had aan codes, een renner gedreven door strijdlust, moed en trots. Het enige wat hij plande was zijn afscheid, op zijn 32e verjaardag.


Vreemd blijft in het licht van die karakterschets dat Hinault tot op de dag van vandaag op het Tourpodium de ceremoniële rol van ‘shirtjes-recht-trekker’ vervult. Dat blijft voor mij een mysterie, Fotheringham komt daar ook niet uit, maar het past ergens ook wel in het beeld van mijn jeugdheld: ‘je m’en fous’, zoek het maar uit, ik doe waar ik zin in heb. En herken ik de oude Hinault meteen weer op de momenten dat hij onverlaten die het podium durven te beklimmen met een ferme duw ervan af dondert.


In een tijd waar berekening en wetenschap de koers, en de komende Ronde van Frankrijk met name, meer en meer lijken te domineren, vervulde het boek van Fotheringham mij met weemoed.

Marc Peeters
22 juni 2015