Bekend

Zo’n huis waar in de herfst de wind tegenaan beukt, waar je in de winter opgesloten zit, waar in de lente je de eerste zangvogels hoort. Zo’n huis dus, maar nu is het zomer. Binnen zitten Gertrude en Jan. Gelukkig zijn de kinderen bij oma ondergebracht. Gertrude sleept de in- en uitklapbare mand vol etenswaren de keuken in. “Ze hebben zelfs een staafmixer.” Omkijken heeft geen zin, hij heeft zich voor de TV geïnstalleerd, nog niet om te kijken, maar in diepe studie van de afstandsbediening.
Gertrude zet koffie. De koekjes van de Delhaize doet ze voorzichtig in een trommel: ze mogen niet breken!

Aan het eind van de middag, als de hitte minder zindert, besluiten ze een wandeling te maken. “Wat anders op zo’n godverlaten plek”, verzucht Jan. Gertrude heeft een kaart van de omgeving opgeduikeld uit een van de lades.
Zwijgend lopen ze het landweggetje af. Ook al loopt Gertrude in een slakkenpas, Jan weigert langszij te komen.
Koeien lopen van het land, zwaluwen cirkelen in de lucht.
Dan gaat ze zitten, op een bankje, armen over elkaar. Jan schuift aan. Hij verschuift zijn zonneklep, en wil een sigaret opsteken.
“Niet nu”, met een vermanend blikje.
“Jan, weet je nog vroeger, hoe we wandelingen door de bergen maakten. Met Sofie en Tim achterop onze rug”.
“Mmm ja”.
“En jij maar moppen tappen”.
“Waar wil je naar toe?”
“We hebben nog wijn nodig voor vanavond, laten we kijken in dat dorpje daar of er een kruidenier is”.
Zonder het antwoord af te wachten staat Gertrude op en stiefelt richting de kerktoren waar ze naar wees.
Een tractor rijdt hen tegemoet. Gertrude steekt haar hand op, ten teken dat ze de boer wat wil vragen:
“Savez vous combien c’est jusqua village?”
“Il est à environ un kilomètre, madam”.
“Merci monsieur, et uhhh bon journee”.
“Vous sa-vez a quel point il est au vil-la-ge?, spreekt Jan tergend langzaam, en sluit af met een smile.
“Zeikerd.”

Het is een winkeltje van niks, maar bevat alles wat een mens aan leeftocht nodig heeft. Drie pakken wasmiddel, scheermesjes, een doos vol met tubes tandpasta, twee ingedeukte paprika’s, uitgelopen aardappelen, naast de kassa een doosje kwattarepen, de lokale krant in een rek, zo’n winkel dus. Jan blijft buiten staan wachten. Gertrude rekent af.
“C’est quatre euro et nonante centimes”.
Jan checkt zijn schermpje. “Hebben ze daar wifi?”
Geen antwoord. En stil blijft het de hele weg terug, een broeiende stilte als een wegtikkende bom verstopt op een hooizolder. Jan met ogenschijnlijk alleen aandacht voor het pad, af en toe schopt hij een steentje weg. Zij schudt het hoofd.

Lekker buiten fonduen. “Op jouw verzoek, schat”. Verschrikte blik bij hem. En meteen daarna: “zet dat ding nu af”. Haar ogen als priemende laserstralen.
“Tis niet wat je denkt”.
Er is een vaatwasser. Jan en Gertrude gaan binnen aan tafel rummiekuppen. In de verte slaat de kerktoren tien maal. Ze schenkt haar glas nog eens vol, doet een graai in het bakje met Japanse noten en zegt:
“En nu wil ik het weten: zie je die vrouw nog?”

Marc Peeters

 

Nijmegen, augustus 2015