Betrokken

1.
Zich binden, dat heeft Alfons nooit gedaan. Of hij het niet wilde, of het niet kon?
Zesde in een gezin, ver boven hem vijf zussen. Alfons was een nakomertje, een scherkukske heette dat daar. Bij elkaar geveegde kruimels.
De pastoor vroeg geregeld of er nog wel bekend werd. En daar was Fonske dan ineens. Zes jaar na de laatste.
Op een zolderkamertje staarde hij na het huiswerk naar de sterrenhemel. Alles wat niet flikkerde was een planeet, zo had ie gelezen. Echt gelukkig was ie als ie de Grote Beer kon aanwijzen, eventueel met een bezemsteel.
In bed kroop hij ineen als een rolmops, in een cocon, terug in de baarmoeder.
Fonske had geen vriendjes. Ja eentje wellicht. Schoolvriendje belde aan, en liep zonder iets te zeggen meteen door naar de huiskamer. Daar stond het strategobord al klaar.
’s Avond in bed moest hij wel eens huilen. Dan draaide hij zich snel om zodat zijn gesnik verstomde in het kussen. Eens stootte hij midden in de nacht ongecontroleerd een langgerekte kreet uit. ’s Ochtends bij het ontbijt zweeg iedereen.
Op zaterdagmiddag zat Fonske gekluisterd aan de radio. Dan hield hij de Veronica top40 bij in een schriftje. Bijna alles neuriede hij mee. Sunny Afternoon van The Kinks, maar ook Huilen Is Voor Jou Te Laat van Corry & De Heikrekels.
Op andere momenten wierp hij zich op de grote zitbank in de huiskamer, en staarde hij door het raam naar de autoweg voor hun huis. Dan ging hij een uur lang het aantal Dafjes turven.
Fonske was nu 10 jaar. Hij bekeek het leven meer en meer als een monoliet. Hij moest er stukken vanaf bikken, om het vorm te geven, te modelleren naar zijn hand. Maar owee, een onverhoedse uitschieter en de mislukking was daar. Het leven als ‘one shot’, zo vroegwijs was Fonske.

2.
Jaren later trok Alfons op interrail Europa door. Hij strandde in Spanje, in de hoofdstad. ’s Avonds in wat leek op een studentenkroeg werd hij aangesproken door een blond meisje, van ongeveer dezelfde leeftijd. Sidse Babett kwam uit Denemarken, en was hier de hele zomer op taalcursus. Ze bedwelmde hem met verhalen over het hippieparadijs Christiania in de hoofdstad, waar zij normaal door het jaar woonde, en over haar ouders die alles goed vonden.
“Hoe heet je?”, vroeg ze na een hoeveelheid sangrias.
“Alfons”.
“Wow, Alfonso, zo heette de laatste koning hier, voordat Franco de macht greep.”
’s Avonds in de hostal kroop ze zonder toestemming bij hem onder de klamme lakens. Terwijl ze hem bereed stootte ze in het tempo van de wip de mantra “el rey” uit. Snel daarop werd ie ontmaagd. “Amor amor” kreunde Sidse Babet, daarmee haar eigen orgasme vierend.
De volgende ochtend ontwaakte Alfons zonder haar. Hij wreef zich de ogen uit, en ging de stad in. Met zijn collegekaart kon hij gratis het Prado in. Hij vergaapte zich aan schilderijen van Velazquez en Goya. Het langst bleef hij staan bij het tweeluik van de laatste rond de vrouw Maja, één in naakte vorm (La Maja Desnuda), de ander bedekt (La Maja Vestida). Telkenmale als Alfons verder slenterde door het immense zalencomplex leek hij door een elastiek naar het hetzelfde schilderwerkstuk teruggetrokken te worden. Daar aangekomen bleef hij opnieuw lang stilstaan, in vervoering, wachtend op een onzichtbare toestemming om de zaal te mogen verlaten. Er leek iets van een traan over zijn wang te biggelen.
Buiten gekomen ging hij spontaan huppelen. Hij floot er een deuntje bij. Pas toen de vele Madrilenen hem lachend aanspraken (wat ze zeiden begreep Alfons niet), begon hij door te krijgen dat zijn deun de Spaanse hymne betrof. Hij moest lachen want Sidse Babet had hem uitgelegd dat die hymne geen tekst had, vanwege teveel connecties met het Franco-verleden.
De priemende zon, de lange slagschaduw, de geur van chorizo, de pantoffelparades, het onverstaanbare gekakel van de mensen, Alfons wilde hier blijven.

3.
“En daarom is Barbara Partee niet doorgegaan op Chomskys universele grammatica.” Alfons knikte met zijn hoofd, maar dat hoofd was er eigenlijk niet bij. Het draaide zich weg, hoezeer het gesprek hem ook aan een touwtje hield. “Alf, jij weet ook dat Jackendorf de partitieve constructie heeft ingevoerd alleen omdat Partee dat over het hoofd zag.”
Alfons nam een handjevol nootjes, en moest denken aan dat verhaal van een collega, over de infecties die ontstonden doordat mensen meteen na terugkomst van het toilet een graai in zo’n bakje deden.
“Ja, je hebt gelijk, maar in dat verhaal van zonet hoorde ik toch duidelijk dat Barwise en Cooper dat onzin vonden.”
“Precies! Snap jij dan waarom de commissie dit door heeft laten gaan?”
Eentje in de kring – Alfons wist zijn naam niet – sloot elke zin of bijdrage aan het gesprek consequent af met een lach: “huh hehe huhhe”. Alsof deze man alles wilde relativeren of zichzelf grappig vond. Het irriteerde Alfons, maar opvallend genoeg ebde die irritatie snel weer weg. Alfons keek schielijk rond, zich deels verschuilend achter de hand vol nootjes. De ogen van mensen, hij kon er in verzuipen, en het geluid verdween naar de achtergrond.
“…generator-verzameling…partitive constraints…matrix-determinator...huh hehe huhhe. “ Alfons rook het zweet van die lacher, hij zag nu ook de transpiratieplekken op zijn colbert op de plek bij de oksels. Hij had ook een dubbele kin, zo’n kin met een gleuf erin. De gleuf verbreedde zich op het moment dat de lach ingezet werd. Alfons fantaseerde dat de echtgenote van deze ‘dubbelkin’ zich naar hartenlust kon uitleven op dit natuurverschijnsel. Hij stelde zich voor dat zij in het kader van het voorspel met haar neus wellustig op en neer ging in die kinnebak. Alfons vond die fantasie helemaal niet scabreus, nee, het was een teken van genegenheid.
Alfons lachte. Hij graaide nog wat in dezelfde kom, en vertelde de omstanders het verhaal van de bacillen die aldus verspreid werden.
“Alf kom eens!”
Snel liep Alfons weg, met een flauw afscheidsgebaartje. Hij botste bijna tegen de serveerster van het Universitair-facilitaire Bedrijf, die net op dat moment met een eenvoudig gebaar aan omstanders duidelijk maakte dat er geen nieuw gevulde bladen meer zouden verschijnen.
Alfons wurmde zich met een minzame glimlach door de meute naar het beoogde kringetje. Alsof hij zonder moeite het water in een groot bassin opzij duwde, zwemmend of stappend, dat deed er niet toe. Het water bleef visceus om hem heen plakken, hij duwde iets weg, het andere kwam ervoor in de plaats. De watermoleculen moesten toch onderscheidbaar zijn, zo had de natuurkunde op de middelbare school hem geleerd, voor Alfons was één pot nat. Hij kliefde gewoon door.
Aangekomen (of moest hij zeggen: aangespoeld?) op de plek van bestemming klaarden zijn gezicht én zijn houding meteen op. Hij sloeg degene die hem had geroepen op de schouder en tikte op zijn buik: “het goede burgermansleven?”
“Ga je mee brassen in de stad Alf?”
“Uhhh”
“En daarna spelletje spelen, rrrrrrrrrrr, hatsjikidee, weetjewel weetjeniet Alfie?”
Bor de Wolf, Lowieke de Vos, Diana Charité, ze waren er allen niks bij, dacht Alfons.
Hij wreef door zijn haar, het hoofd wiegde wat op en neer, maar feitelijk was datzelfde hoofd al bij de uitgang. Het glijmiddel aller glijmiddelen in de taalgemeenschap, een duizend-dingen-doekje dat de sociale codes schoonwrijft: “effe pissen.”
In de toilletruimte terwijl hij zijn handen fanatiek schoonspoelde zag hij in de spiegel een jongeman van rond de 30 in de bloei van zijn leven. Geen rimpels, een blinkend gebit, stralende ogen, gitzwart haar. Via diezelfde spiegel knikte hij obligaat naar enkele andere toilletgangers die hij mogelijk zou kennen. Vreemdelingen, de leegheid van hun bestaan schokte hem. Het geluid op de achtergrond kwam over als gekakel van kippen in een ren.
Snel liep hij naar buiten. Hij stak een straat over. Alfons kreeg in een opwelling zin om zijn gehoorzintuig aan het werk te zetten. Maar selectief, het geleuter van mensen was hij zat. Onderwijl hij voortsjokte ontdekte hij de stilte. Een sensatie die hem deed rillen. De huizen zwegen, de bomen zwegen, het verkeer zweeg, was er soms een belangrijke voetbalwedstrijd op tv?
Hij verliet de bebouwde kom, en kwam aan bij een weide met uitzicht op plassen in de verte. Alfons ging zitten op een bankje. Daar had je ze al, Alfons hoorde het duidelijk: “…to grut … to grut … to grut…” Het woord ‘grutto’ was een imperfecte onomatepee. Hij volgde de groep gruttoos, van links naar rechts, van onder naar boven en terug. Sommigen groepten samen, anderen huppelden in hun uppie rond. “…To grut … to grut …to grut…” waarom noemen we dit beestje dan ‘grutto’? Alfons schudde zijn hoofd, mensen kunnen nog zoveel denken, over hoe iets in elkaar zit, maar klopt dat allemaal wel?
‘s Avonds liep hij naar zijn balkon, daar stond de telescoop opgesteld. Uren aaneen tuurde hij naar de sterrenhemel. Het besef dat elke ster die hij zag er ondertussen wel eens niet meer zou kunnen zijn. Hij draaide voorzichtig van links naar rechts, van onder naar boven, en terug. Af en toe trok hij zijn hoofd weg van de kijker, en keek in het echt, was dit echt wat hij zag? Wat was dan echt? De immense afstanden, terwijl je het toch kon aanwijzen. De vele astronomische kaarten bewezen dat. De nietigheid van dit alles. Wat is de schaal waarop of waarin we leven? Vergankelijkheid verenigd in onvergankelijkheid. Een atomaire wereld vol met giganten. De vele contrasten brachten hem aan het duizelen. Met een brede glimlach liet hij zich achterover vallen op bed.

4.
Jazeker had Alfons een vriendin. Zij noemde hem de leukste, meest intrigerende persoon in het hele universum. Alfons lachte dan wat, en op haar vraag of hij zich wilde binden reageerde hij met: “binden, daar hebben we toch maizena voor uitgevonden?”
Alfons en Pinkelientje woonden in een huis, geïnspireerd op de geschiedenis van Frida Kahlo en Diego Rivera. Dit Mexicaanse kunstenaarsduo had twee naastliggende huizen verbonden met een loopbrug.
Om de band, zoals Alfons die zag, te behouden hadden ze fluitsignalen afgesproken. Hij had dat ooit gelezen in een boek over een reeds lang uitgestorven Indiaanse stam. Na lang oefenen waren ze op een toon uitgekomen met een zodanige frequentie dat alleen zij beiden die herkenden, en die voorkwám dat radio, wifi, 4G of dieren verstoord raakten.
Als Alfons (of Pinkelientje) eenmaal floot, dan was dat een verzoek om elkaar te zien. De ander kon daarop positief reageren: eenmaal fluiten, tweemaal betekende een afwijzing.
Driemaal kort fluiten vroeg alleen maar “ben je er?” De ander bevestigde met driemaal kort terug. Alfons was nog bezig dit morse-systeem verder uit te werken.
Ja, hij had ook ooit gelezen over de echtgenoot van een gevierd schrijver, die gezamenlijk een riant grachtenpand met vier etages bewoonden. Haar lokroep ging met een messing scheepstoeter. Zoiets ging Alfons te ver, bovendien hield hij van bruggen.
Eenmaal kwam Alfons laat thuis van een avondje doorhalen met zijn rummiekup-vrienden. Hij wilde graag bij haar op bezoek, bij haar binnendringen.
“Niks daarvan… weg jij…je bent ladderzat … ik wil je niet zien .. je kunt ernaar fluiten … opzouten!”
In haar nachtpon op de koude plavuizen duwde Pinkelientje Alfons terug naar zijn eigen woonstee. Snel holde ze dan terug en barricadeerde haar slaapkamerdeur met de bezemsteel, die Alfons ooit had gebruikt om haar uit te leggen hoe het nu zat met die komeet 67P/Churymov-Garasimenko.
De volgende ochtend smeerde Pinkelientje de toast voor Alfons en schonk ze hem de vers uitgeperste sinaasappelsap in.
Alfons gaf Pinkelientje een indringend diepe zoen, en zei: “zal ik vanavond fondue maken. Fondue á l’amour. En daarna tantra-seks?”
“Fonske, jij gekkie”, wreef ze door zijn weelderige haardos.
Op stap naar het werk merkte Alfons de ochtendkoude. Mensen hadden hun kraag ver opgestoken, schouders ineengekrompen, om de lichaamswarmte zo lang mogelijk te behouden. Aan de einder gloeide de lucht. Kleuren contrasteerden: het fel roodkleurige tegenover het grijs zwart dreigende. Wolkenformaties leken wel eilandjes. Of je kon aanspoelen in het paradijselijk vitalisme van het morgenrood, of je sloeg neer in het apocalytisch infernale obscure deel.
Alfons snoof de lucht op, en begon aan een ferme tred, neus omhoog. Hij floot het deuntje van Norwegian Wood. Zijn adem liet een pluim van condens achter. Hij besloot om onderweg het aantal mensen met een hoed op te gaan tellen. Automobilisten wierpen hem blikken vol genegenheid toe, dat dacht hij althans.
Hij was niet onopgemerkt gebleven.

 

Marc Peeters
Oktober 2015