Bloedbad

Op het oppervlak van het water was de schittering en reflectie van allerlei patronen zichtbaar. Moby raakte er door gebiologeerd, vooral door de gedaante van de badmeester. Mede door de buigingen in de golfslag ontstond er een figuur met uitstulpingen, armen als tentakels, en een verwrongen gezicht, waarin de mond allerlei vreemde bekken trok. Als de badmeester zich bewoog, bewoog de figuur op het water mee als een spastische afgeleide. De halogene verkleuring in de zaal maakte het patroon van bewegingen nog hallucinanter. De meeste angst werd echter aangewakkerd door het gevaarte dat uitstak, een soort harpoen, dat in de brekingsindex van het water tot aan de overkant leek te reiken.
“Nu jij Moby”, en met een por werd hij het water in geduwd.


Moby spartelde in het water. “Kijk naar de anderen!” En meteen greep hij zich vast aan een stuk voor zijn neus ronddrijvend hout. Terwijl hij ondergedompeld raakte hoorde hij versterkt als door een klankkast “Goed Moby” roepen. De stem leek heel ver weg, als vanaf een kade verzonden terwijl hijzelf al lang en breed in het ruime sop dreef. Links en rechts van hem hompen vlees met vier uitsteeksels, plus een hoofd dat water spuwde. Mobys eigen benen vlinderden. De badmeester grinnikte sardonisch, nadat ie zijn naam had geroepen, en de klanken daarvan dóórijlden over het water: Mobieeeeeeeee!
Moby voelde iets in zijn zij prikken. Het was niet meer te onderscheiden van wie of wat de porren kwamen. Het water dat hij inslikte proefde even goor als dat bodempje bier in het glas dat zijn vader vorige week op de salontafel verschraald had laten staan. Eventjes dacht hij er aan om met het hoofd op het stuk hout te rusten, maar prompt kwam de kwelgeest met de harpoen weer tevoorschijn. Moby wist niet waar hij de meeste schrik voor moest hebben: de afspiegeling in het water, het aangezicht van het ding zelf, of de plons in het water. “Vooruit, zwemmen jij”, en weer die prik, nu op zijn zwembroekje. Moby haalde amechtig adem. Alles stond open bij hem: ogen, oren, neus, mond - alles raakte vol met een vies goedje, het leek wel een mix van wier, zand en vooral urine. Als hij onder water dook, zag hij enkel kleuren, vissen die schichtig doelloos om hem heen zwommen. Weer boven merkte hij dat het water verkleurde, de hompen vlees stoten geen spuug meer uit, maar iets roods. De bewegingen van al die vier-poters werden ook krampachtiger. Moby zelf zwom maar door. “En nu dat plankje weg, kom op!” Daar verscheen dat gevaarte weer boven zijn lichaampje, als een zwaard dat het zwerk doorkliefde. De harpoen duwde zijn plankje weg. “Zwemmen jij! Op en neer met je armen”.


Moby deed maar wat. Het water raakte volledig doorbloed. De wezens die Moby tegenkwam deden hem denken aan die orks uit dat boek waar pappa hem gisteravond nog uit had voorgelezen. Bizarre schepsels, met onnatuurlijke lichaamsverhoudingen, koppen als rugbyballen, handen als kolenscheppen, buiken ingedeukt door kettingbotsingen, benen als lange spaghettislierten. Ze riepen, ze murmelden wat in een soort brabbeltaaltje. Maar nét kon hij er eentje ontwijken, waar uit de buik de darmen bungelden, als verse worsten die mamma kocht bij de slager om de hoek. Bij een ander kon Moby gewoon naar binnenkijken, hij zag het hart met pijlen doorboord. “Help mamma, waar ben je?” Moby zag handen die in zijn verbeelding ondergronds zich trachtten om de spijlen van straatroosters vast te klampen, schreeuwend om aandacht, of overleving.


“Geen lepeltjes, maar vorkjes, wat had ik nu gezegd!” De stang petste voor zijn neus op het water. De kolenschoppen leken in de verste verte niet op vorkjes. Sterker nog: met die vingertjes als worstjes bleven die handjes massief, met onderling aan elkaar gekleefde kootjes.


Hij draaide zich onderwater om. Hij keek door de filmlaag van het water, waarop het procedé van soft focus leek toegepast. Moby zag een spookachtige verschijning, uitgedijd, plastisch vervormd, dansend, alsof er pantomime werd gespeeld, zoals vorige maand bij hem op school, Moby destijds sidderend op een stoeltje in de zaal. Helder was voor hem het idee dat daar de badmeester langs de rand van het bad meeliep, met in zijn hand de ontzagwekkende zeis. Was dat de werkelijkheid? Het was geen luchtspiegeling, daarvoor zinderde het te weinig in deze vochtige hal. Uit die andere wereld hoorde hij een ijle vervormde stem.


“Moby, naar boven!” Als een moerasbel borrelde Moby op. In één vloeiende beweging keek hij omhoog, was dat daar het eeuwige, was dat het einddoel? Voorlopig zat hij echter nog steeds in deze poel des verderfs, ingesnoerd in een korset, gevangen door de viscositeit van watermoculen. Het water was ondertussen donkerder, drabbiger en – zo leek het – stroperiger geworden. Moby probeerde door zijn rooddoorlopen ogen naar de overkant te kijken. Daar moest papa toch op hem staan wachten, met chocomel. Weer ging hij kopje-onder, en moest hij zich een weg zien te banen tussen ingewanden, lichaamsdelen, gebroken botten, losgedraaide oren, afgerukte handen, waarvan Moby eventjes dacht dat ze hem wilden helpen, maar het ergste van alles: losse ogen, sommige met een zwembrilletje op. Moby kon er niet om lachen. De ogen keken hem doordringend aan, ze knipperden, of was het knipogen? Moby begon te rillen, het leek wel of ze vuur spuwden. Vanonder het water leek de lichtval al het rood te breken, in tinten van indisch tot bordeaux.


Met een bruuske beweging verscheen hij weer boven water. Moby proestte het water uit, geen bloedneus maar een bloedmond. Weer die harpoen die voor hem uitbewoog, als een rode bloedworst. Het herinnerde Moby aan die keer dat ie met zijn vader in een TV-studio zat. Allemaal volwassen mensen die praatten over een ingewikkeld onderwerp, iets over ‘het opvoeden van kinderen’. Papa wilde ook iets zeggen, en toen stak er zo’n mannetje een microfoon aan een lange hengel naar hem uit. Was het de bedoeling dat Moby nu ook zijn mening gaf, over wat zich hier afspeelde?
Met een paar laatste ferme zijwaartse bewegingen bewoog hij zich voort door deze rode zee.
“Het gaat goed Moby, maak je slag af!”


Uitgeput klauwde hij richting de reling aan het eind van het bad. Moby greep de buis vast en hees zich uit het water. Hij leek wel een natte hond zoals hij het water vervolgens van zich afschudde.

 

Marc Peeters
December 2016