De man met het zwenkbeen

Behalve mijn collega die dagelijks van huis naar werk fietst heb ik nooit een meer gepassioneerde fietser ontmoet. Fausto noemde ik hem. Mij noemt ie nog steeds Jansen, waarom weet ik niet.

In 2006 overleeft hij een fietsongeval in Andorra. Ik bezoek hem in het ziekenhuis. “Ik weet niet of ik nog terugkom”, klinkt het. Daarbij kijkt hij, het gezicht schuin afgewend, naar buiten, - alsof hij zich schaamt voor deze openbaring.
De revalidatie is zwaar en duurt tergend lang. Het laatste en grootste deel daarvan is Fausto weer thuis. Ik maak eten voor hem klaar. We praten wat, over de Tour, over mijn eigen fietsplannen.
Drie maanden later spreken we af, een ritje op de fiets. Voorzichtig naar Berg en Dal, de polder in, en terug. Hij straalt. “Ik kan het nog.”

’s Avonds thuis aan tafel. Yvonne schuift de kom met gekookte aardappelen naar me door. “Hoe was het?”
“Fausto fietst goed”.
“Moet ie niet wat anders gaan doen?”, vraagt ze, terwijl ze de kleine een lepel met geprakte prut naar binnen duwt.
“Hoe bedoel je”, ik stop acuut met eten.
“Er zijn zoveel mooie dingen te doen in dit leven”. Yvonne veegt het mondje af.
En ze vervolgt: “ik bedoel, zo’n trauma is ook bedoeld om je tot inzicht te brengen.”
Ik kijk haar aan. Ik hou van haar, ook al heeft ze nooit begrepen wat fietsen met iemand kan doen.
“Het zit in zijn bloed”, merk ik koeltjes op.
“Oh, ok”. Yvonne staat op. “Vlaflip?”

“Ik wil een nieuwe fiets kopen”, zijn stem klinkt onvast. Terwijl ik de hoorn tussen oor en schouder geklemd hou, speld ik de luier vast.
“Wat goed Fausto, is het echt?” Ik ga zitten op de bank, met een schuin oog de commode in de gaten houdend.
“Mijn huidige model is meer dan tien jaar oud. Het wordt weer tijd”.
“Fantastisch, altijd goed voor de moraal”.
“Kunnen we ‘m misschien samen ophalen?”

Ik draai de Kartenspielerweg op. De weg golft op en neer. Plots zie ik in de verte een fietser met een lichtkleurig shirtje. Hij zit vrij hoog op zijn fiets. Ik versnel en gebruik de man als mikpunt. Als ik dichterbij kom is duidelijk te zien dat zijn linkerbeen bij iedere omwenteling een fractie naar buiten steekt. Het is Fausto. Hij draagt het shirtje van de Fausto Coppi-toertocht.
Ik pik aan in zijn wiel, en roep “krachtige tred meneer”,
“Hee Jansen, come stai? Ik geniet”.
“Ik zie je zwenkbeen. Je bent de man met het zwenkbeen”. Een kameraadschappelijke tik op zijn schouder.
Hij kijkt mij blij aan: “De man met het zwenkbeen. Mooie titel voor een verhaal”.
Samen fietsen we door. Ik zeg niet veel, hij nog minder. Ik laat hem de route kiezen. Een uurtje later meren we aan bij een café. Ook al is de weg terug nog lang, toch besluiten we tot het nuttigen van een groot glas bier.
Fausto toost. “De zon schijnt, het leven lacht me toe”. En weer wendt hij zijn gezicht af.

“En, lekker gefietst?”, vraagt Yvonne.
“Ik kwam Fausto tegen, stom toevallig. We hebben wat gedronken halverwege. Fausto moest huilen.”
Yvonnes gedachten belanden op een tweesprong.

 

Marc Peeters

22 mei 2015