Oefeningen in doelloosheid

De kaartjesverkoper heeft een onwelriekende ademgeur.
Ik word daarmee geconfronteerd omdat ik hem vraag of de bibliotheek van de Benedictijnse abdij geopend is. Zijn antwoord is wijdlopig. Terwijl ik de essentie probeer te vatten, word ik tevens afgeleid door de omvang van zijn ogen. Er klopt iets niet in de verhoudingen. Ik besluit wijselijk niet door te vragen, en heb uit voorzorg ook al enige extra afstand genomen van het tafeltje waarachter de man zit.
“Doe maar een kaartje voor de expositie hier”, kijkend naar het bordje dat wijst op een museum voor sacrale kunst..
De man wil me nog wat instructies geven, allicht goedbedoeld, maar met een knik heb ik mij al richting de trap naar boven gewend.
Bij de ingang van de zaal zit een vrouw op een stoel. Ze is aandachtig bezig met haar ‘smartphone’. Als ze mij ziet binnenkomen groet ze mij non-verbaal met een blik vol herkenning, zodat ik zeker weet dat het een landgenote is. Of dat zij weet dat ik haar nationaliteit bezit. Een nader contact is uitgesloten, haar aandacht weer snel opgeëist door het schermpje in haar hand. Zij is niet alleen hier, is mijn veronderstelling. Naar links in de zaal zie ik een man van gelijke leeftijd aandachtig in voorovergebogen houding naar de iconografieën met bijbehorende teksten turen. Ik loop langs hem heen, hij kijkt niet op of om. Mijn gedachte is dat het een theologische leraar betreft, die de taal van het land hier machtig is. Hij lijkt zich niets aan te trekken van de wachtpose van zijn gezelschap, laat staan van mij.
Mij boeien de uitgestalde beelden niet. Mijn gedachten verzinken in het beeld dat ik vorm van de andere bezoeker, en zijn veronderstelde gade. Zijn ze op doorreis? Heeft hij van dit bezoek een doel gemaakt? Of betreft het een toevalligheid. Hoeveel tijd gunt de vrouw hem met dit bezoek? Als ik snel reken, en de geschatte bestede tijd bij één van de panelen vermenigvuldig met het aantal overige uitstallingen kom ik uit op ruim een uur. Of is hij hier al langer? De vrouw maakte echter nog een kalme ‘alles onder controle’ indruk, alsof het begin van deze sessie pas net is gestart.
Ik loop de zaal weer uit, en probeer nogmaals oogcontact te krijgen met de man, waarom eigenlijk, tevergeefs. Ook de vrouw lijkt mij niet op te merken, alle aandacht in beslag genomen door wat het schermpje meldt.
Beneden bij de kassa staan al weer nieuwe bezoekers, ze lijken geen last te hebben van de kaartjesverkoper. Buiten is het verzengend warm, de lucht boven het asfalt trilt. Ik sla rechtsaf, en kom bij de ingang van de Benedictijnse bibliotheek. Een ruime hal biedt toegang tot een wenteltrap. Boven zit een relatief jonge vrouw achter een tafeltje met kassa gebogen te lezen in een boek. Rechts is de imposante leeszaal al te zien. Ze kijkt op, en groet me hartelijk. Ik blijk met het kaartje van de expositie gratis toegang te hebben. Er volgt een toelichting over wat ik te zien ga krijgen. En dat er een demonstratiefilm wordt vertoond, met de geschiedenis van deze ruimte, zo vang ik op uit de flarden vreemde taal. Die voorstelling loopt nu echter reeds, en zolang een andere groep daar naar kijkt en luistert mag ik de zaal niet betreden. Ik frons de wenkbrauwen, maar kan de woorden niet vinden om mijn onbegrip toe te lichten. De vrouw maakt een ruimhartig welkomsgebaar. Ik mag hier in een soort voorportaal al vast wat krantenberichten in vitrines bekijken. Ik wuif mezelf wat koelte toe met mijn pet en loop naar binnen. Eigenlijk wil ik zo snel mogelijk naar die film, voortdurend kijk ik of de groep vóór mij niet klaar is. Af en toe werp ik een wanhopige blik richting de vrouw. Die reageert niet. Dan is het zover, de groep – het lijken me Japanners – lopen met een non-descripte uitstraling langs mij heen richting uitgang. Tegelijkertijd knikt de vrouw van de receptie mij aanmoedigend toe.
Ik neem plaats en laat de beelden over me heen komen. Na ongeveer 10 minuten houd ik het niet meer. Het stadium van knikkebollen gaat over in iets waar ik niet meer bewust bij ben.
Ik schrik wakker als ik nog net zie hoe de abdij is gerestaureerd na de wereldoorlog. De laatste monniken blijken dan al te zijn vertrokken, verdwenen of overleden, zo maakt de commentaarstem mij duidelijk.
De vrouw of, bedenk ik nu ineens, het meisje merkt me niet op als ik naar buiten loop. Terug naar mijn tijdelijke verblijfplaats. Af en toe steek ik de doorgangsstraat over, om dan 100 meter verderop weer terug te keren naar de oorspronkelijke kant van de weg. Winkels zijn dicht, zelfs de cafés zijn nog gesloten. Ik vergaap me aan een geveltje vierhoog. Zeker 30 seconden kijk ik met mijn hoofd achter in de nek naar boven. Een passant ontwijkt mij opzichtig.
Ongegeneerd laat ik vervolgens een wind. Verbeeld ik me dat een automobilist mij bestraffend aankijkt? Triomfantelijk glimlach ik terug.
Verderop lonkt een kerktoren, romaans? Laat-gotisch? Op het plein staan auto’s geparkeerd. Ik zijg neer op een bankje. Zowaar vis ik nog een bonbonnetje uit mijn broekzak tevoorschijn.
Een echtpaar komt aanlopen. Van afstand wordt een auto geopend. Zwijgend stappen ze in, en rijden weg. Daardoor opent zich daardoor plots het uitzicht op een wasserette. Ik besluit de kerk te bezoeken, het huis van God is toch altijd geopend?

De koelte valt als een weldadig koele doek over me heen. Ik pas het tempo van mijn schreden aan aan de gewijde omgeving, alsof ik bij elke voetbeweging me dien los te trekken uit drijfzand. Zelfs mijn ademhaling krijgt een trager tempo. Het hoofd tolt, er verdwijnen zaken en er komen andere voor in de plaats. Hoeveel gaten heeft mijn lichaam, begin ik me af te vragen. Twee oren, twee neusgaten, een mond, en dan nog de beide afvoeren halverwege: zeven, een heilig getal. Mijn hoofd als een zeef. Ik kijk naar boven, richting de koepel, is daar een gat of opening? Het is vandaag 15 augustus.

Dit moet geen religieus verhaal worden, heb ik zo bij mijzelven overdacht. Bij het naar buiten lopen bots ik bijna tegen volgende bezoekers op. Mensen met een hoedje op, korte broek en slippers: niet-inwoners. “Pardon”. Stapje voor stapje, handen kruiselings op de rug, keer ik terug naar de herberg. Daar aangekomen maak ik het bed op, en was ik mijn handen. De herbergier begroet mij bij het verlaten van het pand: “fijne dag!” Met zijn weelderige baard ziet hij eruit alsof ie weggelopen is uit een verhaal van Tolkien. “U ook!”, reageer ik.
En buiten sta ik weer, in de blakende hitte. Ik bijt op mijn tanden en trek de breedste grimas die mogelijk is, het hoofd reigerachtig naar boven. Het terras aan de overkant is inmiddels geopend. Een morsig dikke vrouw duwt de parasols open. Ze werpt de asbakken op de tafeltjes, gelijk een uitgerangeerde frisbeespeelster.
Als ik mij neergeplant heb komt de vrouw aangesjokt. Terwijl ze de tafel met een doekje afdoet vraagt ze: “ja?”. Ik maak een gebaar 1) waarmee ik uitbeeld graag een glas bier te willen bestellen en ik vervolg het kijken: het kijken naar vogeltjes die broodkruimels pikken, het kijken naar voorbijrijdende buitenlanders, de man achter het stuur, de vrouw met haar blote voeten op het dashboard, met een blik die zegt: “kijk eens, gezellie hier”.
Het bier verkwikt, en terwijl ik mijn gerstenat-snor schoonlik zie ik de kaartjesverkoper met een aktetas onder de arm voorbijlopen aan de overkant van de straat met de blik schuin naar voren naar de grond gericht. Verderop slaat hij de hoek om, echter niet voordat hij een stevige fluim op straat heeft gespuugd.

 

Marc Peeters
Augustus 2016

1) Rechterhand dwars horizontaal palm naar boven, ter hoogte van mijn borst, linkerhand daar recht  iets onder, ook horizontaal, open hand naar boven (universele terrastaal)