Dood op krediet

'Hallo', zei ze, 'dus u bent eindelijk wakker geworden'. Terwijl ze de zin uitsprak twijfelde ze meteen aan het woord ‘eindelijk’. Desondanks zette Suzan haar meest innemende glimlach in.
‘Zijn ze van deze oude knoeperd nog lang niet verlost, ha!’, lachte de man hardop. ‘Hoe lang ben ik weggeweest?’
‘Voor mijn gevoel ruim een jaar’, het hoofd lichtjes schuddend om haar ongeloof te laten blijken.
Van ver hoort ze over de gang haar broer Joost aan komen stiefelen, met zijn onmiskenbaar driftige pas. Ze besluit om er even het zwijgen toe te doen, om ook in vocaal opzicht ruimte te maken voor het aanstaande bezoek.
‘Daar is tie dan’, terwijl ie zijn overjas over een zitting gooit.
‘Wie? Jij of je vader?’
‘Hai Suus’, met een zoen links en rechts. ‘Gossepietje, ik moet er weer aan wennen’, en hij geeft zijn vader een hand.
‘Sterk geslacht ben jij van’. ‘Zeg, wat is er allemaal gebeurd in dat jaar?’, vraagt deze.
‘Uhh’, Suzan weifelt even. ‘Geen idee.’
‘Nog steeds geen lover, meisje?’
‘Op je FaceBook staat ‘het is ingewikkeld’, voegt Joost toe.
‘Dat hoef je echt niet zo smalend te zeggen hoor.’
‘Kinderen, kinderen toch. Ik heb zin om naar huis te gaan, en m’n biljartkeu weer op te pakken.’
‘Bestaat die club nog? , vraagt Joost aan Suzan.
‘Zal toch wel, ze zijn niet allemaal zo oud.’
‘Zeg Pap, we gaan even overleggen met de specialist over hoe het nu verder moet.’
‘En daarna moet ik ook weer door. Ik heb al een board meeting moeten afzeggen’, verontschuldigt Joost zich.
‘Goed, als thuis de Bokma maar koud staat’.
‘We bellen je snel. OK?’ Suzan geeft een kus op zijn voorhoofd.
Joost doet het met een hand.

Buiten de kamer steekt Joost meteen van wal. ‘Verdomme nog aan toe. 10% kans zei die specialist vorig jaar. En nu zit ie daar ineens, mij weer breed uit te lachen. Wat is dit voor een klucht?’
‘Rustig rustig, wonderen zijn kennelijk de wereld niet uit. Even vragen of we die man kunnen spreken. Zuster, zuster, pardon, we zijn de kinderen van de heer Sloothouwers. Kunnen we de behandelend arts spreken?’
‘Dan kunt u het best een afspraak maken, moet u de afdeling bellen, kunt u daar navragen. Ik moet nu verder’. En ze loopt weg.
‘Wat een arrogante trut. Kan ze zelf niet even vertellen, hoe dit in godsnaam mogelijk is?’ Joost schudt het hoofd.
‘Joost rustig, bovendien, het is je vader, ben je niet blij met z’n leven?’
‘Hij heeft ons in het ootje genomen. Waarom heeft die ouwe verdomme nooit een wilsverklaring opgesteld?’
Suzan zucht, ze zoekt ondertussen iemand bij de receptie. Niemand te zien.
‘Kom we gaan’.
Ze pakken de lift. Joost laat zich achterover vallen en wrijft eens stevig over zijn voorhoofd.
Beneden lopen zo door een brede gang. Links en rechts kruisen ze mensen in wit gekleed.
‘Ik háát ziekenhuizen. Al dat maagdelijk witte, hypocrieten. En dan maar gewichtig kijken, druk doen, met altijd zo’n dossiermap onder de arm’
Ze lopen naar buiten. Suzan kijkt in de verte. ‘Waar staat je auto? Wat voor leasebak rij tegenwoordig in?’
‘Daarachter, die Audi’, Joost steekt een sigaret op.
‘Waarom doe je nu zo chagrijnig? En ik dacht dat je gestopt was met roken.’
‘Ja haha, dat kreng zuigt mij leeg met haar alimentatie, en mijn huis onder water’. Joost leunt tegen zijn auto. ‘Mijn kinderen verbieden mij om in de auto te roken. Daar zit zij óók achter natuurlijk’
Rookpluimpjes kringelen naar boven.
‘Je bent net een crematorium.’
‘Humor zusje?’, hij blaast de rook in haar richting.
‘Nu stop, lul! Het is je eigen vader verdorie.’
‘Jij hebt makkelijk praten, hoeft met niemand rekening te houden. En wat dat roken betreft, jíj zit elke avond in De Tempelier te zuipen met die vriendinnen van jou’.
‘Geef me een lift naar het station, wil je?’
‘Stap in’, speelt Joost met overdreven hoffelijkheid.

Suzan kijkt ostentatief naar buiten. Ze kent deze straat van vroeger. Huizen zijn afgebroken en vervangen door moderne wooncomplexen. Waar ooit de groenteboer was, ziet ze nu een tattooshop. Op de plek van die ene bakkerij is een nagelstudio gekomen.
‘Waar ben je nu mee bezig?’, probeert Joost het gesprek weer op gang te brengen. ‘Levert dat nog wat op die Gestalttherapie?’
‘Ik ben ZZP-er Joost, ik leef van contract naar contract.’
Joost knikt en snuift tegelijk, daarmee hopend dat zij doorpraat. Ondertussen draait hij de auto een nieuwe straat in.
‘En verder’, als Suzan toch stilvalt.
‘Wat verder?’
‘Nou wat je verder doet’.
‘Ik zit sinds kort in een schrijfgroepje’
‘Jij, schrijven?’ Joost schudt zijn hoofd. ‘Ik ken alleen die boodschappenlijstjes van jou vroeger. Wat schrijf je dan?
‘We doen nu oefeningen met beginzinnen. Proberen daar een vervolg aan te breien’.
Joost lacht. ‘Wat een simplisme.’
‘Nou niet zo minachtend zeg. Vroeger deed je ook altijd zo hautain, over je jongere zusje. Ik maak toch ook geen grappen over wat jij uitspookt op je werk’
‘Dat is je geraden, ik verdien tenminste geld voor ons land’. Hij kijkt haar priemend aan.
‘Joost, je vader was zo blij indertijd met je eerste baan, weet je dat nog?’
Zowaar, Joost zakt weg in gedachten.
‘Gun die man een waardig eind’. Suzan voelt dat er iets van ijs breekt. En ze gooit er nog een schepje bovenop. ‘Weet je, ik baalde ook hoor. Ik zag het al voor me, al die mantelzorg’.
Joost knikt. ‘Wat zeggen die specialisten nu over de prognose. Dadelijk gaat ie nog op jacht naar een nieuwe bruid. Met een tweede leg, God verhoede, moet er niet aan denken.’
Suzan kijkt Joost aan. Ze herkent de kuiltjes in zijn wangen weer, zo groot als eurocentjes.
‘Ik bel morgen. Maar vond je niet, dat ie blaakte van gezondheid?’
Joost stopt op de Kiss & Ride. ‘Hoe laat gaat je trein?’
‘Kom een keer eten bij me, als Joyce de kinderen heeft. Ennuh, je kunt pa toch ook vragen om een voorlopig krediet? Dood op krediet, weet je nog? Vonden we allebei een prachtig boek.’
‘Ja inderdaad, jij weet de beginzin vast ook nog.’
‘Tuurlijk’, straalt Suzan, “We zijn weer alleen”.
Joost omhelst zijn zus…
Achter hen klinkt een claxon…

 

Marc Peeters
23 mei 2015