Door de ogen van de dood (een drie-eenheid)

De kiezels van het pad dat de grafstenen flankeert knisperen onder de voetstappen van de zwart glimmende lakschoenen. Tegen de muur van het gebouwtje staat een fiets geparkeerd. De massief eikenhouten deur staat wijd open. De mannen treden naar binnen; het binnenvallend daglicht verdwijnt acuut. Ze lijken in eerste instantie onaangedaan door de aanwezigheid van de man in het fietspakje. Plechtstatig zetten alle drie gelijktijdig - het lijkt wel afgesproken - hun hoge hoed af. In de schemer vallen de witte handschoentjes op, waarmee een conservator zelfs de oudste velletjes uit lang vervlogen tijden intact zou kunnen laten.

“Was machen Sie hier?” De fietser reageert beduusd, betrapt, en niet alleen omdat hij deze taal niet elke dag spreekt. Zijn gezicht loopt rood aan, de hitte vraagt zijn tol, maar ook de schaamte spreekt mee, misschien is het voor de ongepast schreeuwerige kleuren van zijn shirt.
“Ik wil slechts even pauzeren.” De drie mannen knikken in een vertraagd tempo, ze gunnen hem nog wat tijd. Waxinelichtjes werpen obscure silhouetten op de muren naast de ingang, het lijken wel drogbeelden.

De fietser weet zich geen houding te geven en hij flapt er uit: “Wat doet deze mevrouw hier?”
“Das ist eine Verstorbene”, spreekt de voorste man. Hij kijkt de fietser indringend aan. “Verstehen Sie?”
De fietser draait zich naar mij om. Mijn meest minzame glimlach ooit verleidt hem tot wat ik beschouw als een sereen deemoedige buiging van het hoofd.
“Dürfen wir jetzt unsere Arbeit verfolgen?”
De fietser knikt, “Entschüldigung” brengt hij er nog uit. En hij beweegt zich achterwaarts, in de veronderstelling dat dat zo hoort, voorzichtig schuifelend op die clowneske schoentjes, naar buiten richting de stralende zon.

*
De auto tolt éénmaal rond, als een pirouette op een ijsvloer. Rookpluimen uit de motorkap, die aan de passagierszijde volledig ingedeukt is. De chauffeur zit verscholen achter een airbag.

Ik bekijk het met gemengde gevoelens. Vanaf de achterbumper van de caravan heb ik de man al verwelkomd. Weten al die bezoekers hier nog steeds niet dat de sprong over de Styx slechts een polsstok lang is? Ook nu heeft mijn zeis vervaarlijk gezwaaid, slechts een windvlaag heeft deze arme ziel getoucheerd.

Het verkeer ligt stil. Omstanders zijn allen meteen uit hun auto gesprongen, en hebben zich naar de plek des onheils gespoed. “Snel snel, U moet hier uit.”
Ik zie hem uitstappen. Weinig bloedsporen, weinig lijfelijke herinnering aan mijn bezoek. Zijn gezicht is lijkbleek. Medelijden overvalt me, deze man verdient een langer wegblijven.

Sirenes zwellen aan.

*
“Hij ligt er zo mooi bij.” Sofia lijkt verrukt. Ik heb haar altijd gemogen, misschien wel meer dan mijn eigen vrouw.

Ik hoor mijn zoon mompelen: “zal ik dan ook maar?” Mijn vrouw, de rouwsluier omhooggeslagen, geeft hem een halfslachtige duw.

Daar komt hij aangelopen, schouders maximaal afhangend. Hij legt zijn handen in elkaar, en houdt ze in elkaar geknoopt ter hoogte van zijn geslacht. Ik kan een lach bijna niet onderdrukken. Waarom kijkt hij nu zolang? Denkt hij mij hiermee nog adem in te kunnen blazen? Schei uit, 82 is genoeg. Ik lees de onmacht van zijn gezicht af. Geen doekje dat soelaas biedt.

Weer buiten hoor ik hem nog steeds snikken: “Ik kan het niet.” “Wat niet?”, vraagt mijn vrouw. “Een In Memoriam schrijven.”

 

Marc Peeters
Januari 2017

 

De dood is bloot
De dood is groot
De dood is bloot
De dood is dood
(Jules Deelder)