Eenzaamheid

Die ochtend is Hanneke Rolofs zenuwachtiger dan anders. Nog een keertje haar oogwimpers bijtippen, nog een keertje wat flush op haar wangen. Op en neer drentelen door haar flatje, als een vlijtige mier de planten afstoffen en water geven. Gordijnen openschuiven, en toch maar een beetje dicht, dat kan net het verschil zijn. Al het koper gisteren al opgeblinkt.
Haar dochter Karin had ze zojuist nog aan de lijn. “Mam, maak je niet zo druk. Denk je soms nog sjans te krijgen?”
“Nee kind, maar ik weet niet hoe hij eruit ziet”.
“Maakt dat wat uit? Het gaat erom dat je aanspraak krijgt”.
“Ja”, en Hanneke zucht hoorbaar door de lijn.
“Sorry mams, ik kan het ook niet helpen. Wij zitten hier met twee puberende kids opgescheept.”
“Kom maar snel weer eens”.
“Tuurlijk. Hé, veel plezier met je nieuwe vriend, haha”.
“Ja, lach jij maar. Ik ga nog snel wat koffie zetten. Geen idee wat ie drinkt, weet jij dat?”
“Ja dahag!”
Hanneke schuifelt naar de keuken, voetje voor voetje. Gelukkig heeft de zorginstelling vorige week bij de deurposten nog wat klinken laten monteren. Tis ook maar een kleine ruimte. Het koffieapparaat gaat al snel druppelen. Nog even zitten, misschien is er iets van Max op TV.
De Friese staartklok slaat 11-maal. Hanneke schrikt op, was ze warempel toch in slaap gevallen. En meteen gaat de deurbel.
Ze drukt de TV op stand-by en staat op om zich naar de voordeur te bewegen. Nu neemt ze toch maar de rollator.
Als ze de deur opendoet, krijgt ze meteen een hand toegestoken. “Goedemorgen mevrouw Rolofs, mijn naam is Harrie”.
Hanneke zet haar zonnigste glimlach op. De hand van Harrie voelt koud aan, ze kan een rilling niet onderdrukken. “Dag Harrie, fijn dat je er bent. Kom binnen”.
Hanneke draait zich om, en beweegt zich richting woonkamer, Harrie vlak achter haar aan, alsof hij aangelijnd is. Als ze zich om de zitbank heen beweegt om daar plaats te nemen, stokt Harrie zijn loop. Het ziet er merkwaardig maar ook grappig uit, Harrie heeft zijn linkerbeen half vooruit opgeheven in de lucht. “Kom maar hier Harrie, jij kunt tegenover mij zitten”.
“Dankuwel, mevrouw Rolofs”.
“Noem mij niet voortdurend mevrouw Rolofs, ik heet Hanneke”.
“Dankuwel Hanneke”.
Hanneke lacht. “Jij bent me er ook eentje. Hebben ze je niet geleerd wat tutoyeren is?”
Harrie draait wat in het rond, alsof hij wat zoekt. ‘Tutoyeren, tutoyeren’, prevelt hij.
“Lust je koffie?”
“Nee dank u Hanneke”.
“Water?”
“Nee dank u”.
Als Hanneke met haar kopje is teruggekeerd, kijkt ze Harrie aan. Die begint meteen te praten.
“U woont hier mooi”.
“Zeg maar ‘je woont hier mooi’”.
“Je woont hier mooi”.
“Keurig”.
“Je woont hier keurig”.
Hanneke lacht nu hard. “Grappig mannetje ben jij zeg”.
“Hoe lang woont u hier al”.
“45 jaar” En ze vervolgt “waarvan 40 met Kees”.
“Kees is je overleden echtgenoot?”
“Ja”, reageert Hanneke.
“Je hoeft niet te huilen”.
“Goh, dat zie je dus”, ze vist een zakdoek uit haar mouw. “Dat maakt jou wel een bijzondere man”.
“En jij Harrie, hoe lang zit jij al bij de stichting”.
“U bent mijn 3e klant”.
“Aha”.
“De andere twee wonen hier vlakbij”.
Hanneke humt wat. Ze staat op om nog wat koffie te halen.
“Blijft u zitten, ik kan dat ook voor je doen”.
Hanneke kijkt hem in gebogen houding aan. “Wel wel, een charmeur”.
Als Harrie terug is, kijkt Hannie nog eens goed in zijn ogen. “Ze twinkelen”.
“Ja Hannie”.
“Vertel jij nog eens wat”, en ze buigt voorover.
“Wat doe je zo de hele dag?” , Harrie imiteert haar buiging.
Zo kabbelt het gesprek voort. Zonnestralen priemen naar binnen. Af en toe wordt er gezwegen, of hooguit gezucht en geglimlacht.
Dan maakt Hanneke een halfslachtige beweging richting Harrie, ze wil ‘m aanraken, maar weifelt, alsof ze schrikt van haar eigen emotie. “Ga nu maar Harrie, ik zie je volgende week weer”.
Harrie richt zich op, geeft Hannie een hand, steekt de hand weer terug, draait zich om, en beweegt zich richting huisdeur. Het lukt hem de deur te openen.
“Laat maar, ik doe de deur wel dicht”, roept Hanneke hem na.

*
Een week later zitten ze samen aan tafel. Hanneke schuift de puree aandachtig op haar vork, en beweegt deze vervolgens voorzichtig richting haar mond.
“Hou je van stamppot?”, vraagt Harrie.
“Ha, dat had ik de vorige keer gezegd toch, heb je goed onthouden.
Wat eet jij eigenlijk?”
“Daar gaat de Stichting over”.

’s Avonds is Karin aan de lijn.
“Hij stelt de goede vragen. Hij is attent, heeft een goed geheugen”.
“Goh, kom daar eens om, bij Bart denk ik vaak ‘waar zit jij met je gedachten?’”
Hanneke lacht wat.
“Maar mam, vind je ‘m dan ook aantrekkelijk?”
“Stel niet zulke rare vragen kind”
“Ok ok, ik wil hem graag een keer ontmoeten”
“Guttegut, daar heb je dan wel tijd voor, kom eens een keer gewoon langs, met die Bart van jou”.

*
Al vroeg in de ochtend staat Hanneke voor de spiegel. Past dit beter of toch maar die rok? Ze besluit de ‘deux-pieces’ te nemen, die Kees het mooiste vond. Dan neemt ze plaats op het bankje. Nagels vijlen, schoonmaken en verse rode lak erop.
Harrie is stipt op tijd.
“Dag Hanneke, hoe gaat het met jou?”
“Goed Harrie, fijn dat je er bent”.
Hanneke schuifelt naar de bank. Ze strijkt de foulard naast haar recht. Harrie neemt plaats naast haar.
“Je ziet er mooi uit”.
“Dank je. Heb jij wel eens iets anders aan Harrie?”
“Nee, daar ga ik niet over”, antwoordt Harrie.
“En lach je wel eens, of huilen?”
“Dat zijn ze aan het uitproberen”, Harrie kijkt recht voor zich uit.
“Gekkie”.
Dan legt Hanneke een arm om Harrie. “Jij bent een bijzonder iemand. Ik mag jou wel”.
Harrie draait zijn gezicht naar Hanneke toe, zijn kaken gaan langzaam van elkaar. “Ik …. vind….” De woorden komen er staccato uit, alsof iemand ze uit zijn mond aan het trekken is. Het volume zakt, als een langspeelplaat die naar een lager toerental wordt geschakeld, Harries stem glijdt weg. Hij doet nog een ultieme, terminale lijkt-het-wel, poging “Ik ….. vind …”. Het laatste ‘vind’ is al bijna niet meer te horen. Harrie valt voorover, en blijft dan ineens bewegingsloos in een onnatuurlijke houding hangen, alsof iets onzichtbaars de voltooiing van zijn buiging remt .
Hannekes hartslag stijgt, ze grijpt Harrie vast. “Harrie, Harrie, wakker worden”. Er gebeurt niets. Ze staat op, haar hoofd nerveus schokkend, en loopt naar de secretaire aan de andere kant van de huiskamer. Ze schuift het laatje open en pakt een map van De Stichting. Ze grijpt de telefoon en belt een nummer.
“Met De Stichting, waarmee kunnen we u van dienst zijn?”
“Uw medewerker Harrie is hier op de bank in elkaar gezakt, hemeltjelief, wat moet ik doen?”
“Blijf kalm mevrouw Rolofs, we sturen een zuster langs, die is er binnen een half uur”.

De zuster loopt naar binnen. “Aha, ik zie het al. Hebben ze u van te voren niet verteld dat ie op een gegeven moment op is”.
“Op is?”, Hanneke houdt haar hand schuin tegen haar wang. “Hij gaat toch niet dood?”
De zuster lacht: “nee mevrouw Rolofs, komt goed”. En ze haalt twee Duracell-batterijtjes uit haar binnenzak. “Gaat het verder goed, het contact?”, terwijl ze behendig in een vakje achterin Harrie de oude set door de nieuwe vervangt. Meteen begint Harrie weer te praten, hij vervolgt waar ie gebleven is: “… ik … vind … je een lieve vrouw”.

 

Marc Peeters
Juni 2016

Gecomponeerd naar aanleiding van een reportage over de problematiek van eenzaamheid onder ouderen op NPO-Radio1, vorige maand mei 2016