Wilde kastanjes in de l'été indien

Fietsen vanaf de oorsprong in de Monts Ardèche

 

De Ardèche staat bij de gemiddelde Nederlander vooral bekend om zijn beroemde gorge, met zijn natuurlijke boog van kalksteen, waar je onderdoor kunt kanoën.

Noordelijker hiervan ligt het arrondissement van de Monts Ardèche. Het is het gebied van de sucs, de uitgedoofde vulkanen, én van de bron van de Loire. Je kunt er prachtig fietsen: onverhard over gemarkeerde ATB-routes of verhard over vaak uitgestorven weggetjes.

Oorsprong

Ik bevind me net boven de 1400 meter, op het balkon van de Mont Mézenc, het hoogste geografisch punt van de Ardèche. Ochtendregen trekt op, de zon verschijnt in volle glorie. Bij het krieken van de dag, terwijl de nevel nog over het dal hangt, zoef ik naar beneden, op weg naar de verlatenheid van de Cirque de Boutières (cirque is keteldal). Gisteravond bij het genot van een zelfgestookte kastanjelikeur vertelde mijn gastvrouw Christine hoe de sneeuw hier in de wintermaanden metershoog kan opstuwen tegen de deuren van haar gîte d’étape. Haar buurman, een eind verderop, waakt door regelmatig te kijken of haar schoorsteen nog rook uitstoot.    

Vogels worden wakker. De weg naar de Col de Croix de Boutières loopt geleidelijk naar boven. Een boer op een tractor passeert me en tikt bij wijze van groet op zijn pet. Diep onder mij het geluid van een optrekkende Renault. Ik laveer wat om koeienvlaaien te ontwijken. Een open weids landschap, tot ik de bocht omschiet, een bos in, waar ook de col ligt.

Na de afdaling zoek ik la Route des Sucs op. Sucs zijn puntvormige bergen met vulkanisch afval. De weg flirt voortdurend met een hoogte van om en nabij de 1200 meter.

Ik ben op weg naar de baarmoeder van de Loire, de grootste slagader van Frankrijk. De weg gaat licht omhoog – ja, het mag wat inspanning kosten: het bereiken van een nakende beloning. De Gerbier de Jonc is een toeristische trekpleister. Het is een heuvel – suc in jargon - vol lavapuin, pronkend als reservoir vol levensvocht. Hier doemen ineens de rijen campers met senioren achter het stuur op. Kraampjes met confiture regionale, dierenvachten, likeurtjes en blijmoedig kijkende verkopers. Vele reclameborden voor de horeca, die schreeuwen om aandacht. Begrijpelijk, want de Gerbier is de locatie waar de Loire het levenslicht ziet, de langste rivier van Frankrijk. Over de juiste locatie van de bron bestaat, naar verluidt, enige onenigheid. Op korte afstand van elkaar heeft de bezoeker twee verschillende opties: de bekendste (want door de meeste toeristen bezocht) is te bewonderen in een stalling van een boerderij waar het water gewoon uit de kraan komt, de andere (de echte volgens het bijschrift), ligt onopvallend in een weitje even verder.

Ik maak me daar niet druk om, en neem een schattig weggetje naar beneden. Links en rechts zie ik afgelegen boerderijen op groene plukjes in het landschap. Helmgras met bijzondere herfsttinten kleurt het tafereel op. Beneden steek ik een bruggetje over, daaronder stroomt de grote rivier, daarover geen misverstand.     

De Loire heeft hier nog de gedaante van een lief onschuldig riviertje. Zoals je ook vertederd kunt raken van de onschuldige naïviteit van een kind. En vele jaren cq. kilometers) verder ontpopt het fenomeen zich dan in gigantische omvang.

Ik verlaat de Loire en zoek het Lac d’Issarlès op. Dit meer ligt in de diepe krater van een oude vulkaan. De kleur van het water is dan ook blauwer dan blauw kan zijn.

Iets verderop ligt het plaatsje St. Cirques-en-Montagne, terrasjes zitten vol. Er heerst hier een eetcultuur, uit de openstaande ramen klinkt het toasten met volle wijnglazen.

Wat laatste klimmetjes via het Forêt de Mazan en ik bereik Lanarce, een slaperig plaatsje op de doorgangs-Route Nationale van Le Puy naar Aubenas.

Voortgang

De reis gaat verder via het massief van de Tanargue. 

Ik kijk mijn ogen uit. De weg kronkelt even geleidelijk als ik hier overal gewend ben naar de Col de Pendu. Af en toe word ik opgeschrikt door een toerist die zich om mij heen toetert. Maar met wellevendheid!

Ik bevind me op een pastorale hoogvlakte, het Plateau de Chamlonge. In de verte zie ik de verschillende bergkammen achter elkaar als vouwen in een tafellaken. 

Verder naar de volgende col: de Meyrand. Herkenbare bordjes met daarop duidelijk aangetekende percentages en hoogtes van de klim illustreren dat dit gebied populair is bij de racerecreanten.

Het uitzicht vanaf de Col de Meyrand is magnifiek. Naar rechts kijk je uit op het pittoreske Loubaresse. Links kijk je het diepe en verre dal van Valgorge in. Bij goed weer zouden zelfs de Mont Ventoux, de Monte Viso en het La Meye-massief bij de Galibier zichtbaar moeten zijn. Met de nevel, die vandaag nog niet helemaal opgetrokken is, is dat bijkans onmogelijk.

Het massief van de Tanargue ziet er robuust, doorleefd uit, alsof het alle elementen heeft doorstaan. Over haar flanken fiets ik naar beneden, naar de gorge de la Beaume, die uiteindelijk uitmondt in die beroemde Ardèche-rivier.

Ver weg hoor ik schoten. Pas later zie ik wat er aan de hand is. Het jachtseizoen is geopend. Honden worden losgelaten, jagers proberen aldus everzwijnen te traceren.

De afdaling biedt ruime gelegenheid tot mijmeringen. Fransen worden vaak beschuldigd van chauvinisme. Maar zeg nu zelf, als je hier fietst: ze hebben toch gelijk? Maar niet te veel mijmeren, want de weg ligt vol bezaaid met platgewalste ruwe gebolsterde kastanjes, oppassen voor uitglijders dus. Het bladerdek spattert nog wat na van de nachtelijke buien, alsof een automobilist zijn paraplu nog even droogschudt alvorens verder te rijden. Hij droog, ik nat.

De wind jaagt mij voort. Roofvogels – verdekt opgesteld op een tak - schrikken op.

Op een bankje zitten oude mannetjes – al een eeuwigheid zo lijkt het.

Met groene netten uitgespreid op de grond proberen de lokale bewoners de wilde kastanjes te oogsten.

Langzaam bol ik uit.

 

Là-bas on l'appelle l'été indien
Mais c'était tout simplement le nôtre

(L’été indien, Joe Dassin.

Vertaling:

Daar heet het de Indian Summer
Maar het was gewoon de onze)

oktober 2011