Vogels spotten: begin dichtbij huisLessen van vogelfotograaf Koos Dansen Het gevoel van vrijheid is iets dat elke vakantiefietser zal herkennen en ook zal nastreven. Niet vreemd dat velen zich verbonden voelen met vogels. Wil niet elke fietser een vogel zijn, eventueel een rare vogel: ongrijpbaar, scherend over land en bergtoppen, en dan ineens oplossend in het zwerk? Hoe ontwikkel je die betrokkenheid bij dit natuurfenomeen, als fietser? Koos Dansen is de ideale persoon om bij in de leer te gaan. Dansen beoefent drie passies-in-één: natuurliefde, fotografie en fietsen. “Met fototoestel achter de vogels aanfietsend heb ik mijn burn-out omgezet in een ongekende nieuwe spirit”. We hebben vroeg afgesproken voor onze ontmoeting. “Vogels zijn vooral ’s ochtends actief”, stelde Dansen door de telefoon, “zeker na zo’n lange koude winternacht. Ze moeten dan eten zien te vinden. Als de dagen langer worden, houden ze midden op de dag siësta en worden ze tweede helft van de middag weer actiever”. Gelukkig beleven we vandaag een intermezzo in de aanhoudende natheid van de afgelopen tijd. “Ik reken op zon vanuit het noordwesten, ideaal voor mooie plaatjes”, stelt Dansen blijmoedig. We duiken de Ooijpolder in, vlakbij Nijmegen. Een mini-fietstripje als opmaat van een grotere reis met aandacht voor vogels. Meteen wijst Dansen naar rechts. “Kijk, daar boven bij het kerkje van Persingen”. En warempel, ik zie een puntenwolkje dat op en neer deint, en zich dan laat meedrijven op de wind. Gebiologeerd volg ik het schouwspel. “Ik vermoed ganzen”, gokt Dansen. “Welke soort of soorten zien we hopelijk straks als we er langs komen. Als fietser kun je er snel op af als er iets interessants gebeurt in de verte”. Koos Dansen praat honderduit, zijn pretoogjes fonkelen. Je hoeft de radio maar te tunen op één van zijn hobbies en hij is vertrokken, voor een lange monoloog – onderhoudend, dat zeker. Ik vraag hem waar zijn belangstelling voor de natuur vandaan komt. “Met de paplepel ingegoten kun je zeggen. Met mijn vader voer ik in een tweepersoons kano tussen de meerkoeten, waterhoentjes en futen door. Op de oever zagen we een baltsplaats voor kemphanen. Elk jaar deden we op vakantie op Texel excursies met een natuurgids. Mijn vader was gericht op vogels, mijn moeder meer op planten, bloemen, vlinders. Zo leer je de namen en de leefgebieden spelenderwijs. Toen ik 10 was wist ik heus wel dat je in het bos niet naar een lepelaar hoefde uit te kijken en in een weiland niet naar boomklever. Zo begint het.” En waarom dan speciaal vogels? “Ik houd ook van plantjes hoor, maar vogels zijn dynamischer, actiever, veel minder voorspelbaar. Je hoopt op een slechtvalk, je hoopt dat je hem ziet jagen, je hoopt op spektakel en je hoopt dat ook nog eens goed vast te leggen. Minstens zo spannend als AZ – Ajax. Vogels geven ook energie, maken je optimistisch, ze lijken vrijwel altijd vitaal en ondernemend. Moeten ze ook, ze kunnen zich niet ziek melden. En als ze werkelijk ziek zijn is het meestal gauw met ze gedaan en worden ze opgegeten, of op een andere manier onderdeel van de eeuwige kringloop van de natuur. Maar daar piekeren ze niet over, ze zeuren niet, maar plukken de dag zolang het kan. Mooi toch?” Wie zei ook alweer: in de lucht laat de natuur zich niet temmen, door de mens. Dansen: “zo is het maar net. Staaltje menselijke projectie. Je denkt: als ik die vogel was ging ik daar eens kijken en hoefde ik niet naar mijn werk. Maar een vogel moet altijd naar zijn werk. Nooit een vrije dag. Veroordeeld tot zijn broedterritorium van misschien maar een paar hectare dat hij moet verdedigen. Veroordeeld tot het biotoop waar hij voor is toegerust. Met altijd weer die grutto, kluut en wulp, die wel met hun snavel in de modder kunnen prikken en de bosuil, de wielewaal en de putter, die op een andere gespecialiseerde manier aan de kost moeten komen. Ze kunnen niet ineens in een heel andere bedrijfstak gaan werken. Op trek lijken ze vrijer, als ze vanuit het winterse hoge noorden hier naartoe komen omdat het water hier nog open is en het gras nog groen, of als ze van hier naar Afrika gaan omdat ze daar wel de insecten vinden die ze nodig hebben om in leven te blijven. Hun trekgedrag en routes liggen echter ook grotendeels vast. Toch blijkt binnen die structuren en programma’s nog best wat gekkigheid mogelijk. Rare vogels inderdaad. Terwijl onze kleine plevieren gewoonlijk heel plaatstrouw zijn duikt er ineens eentje op in Zwitserland met een Zwitserse partner, een nest, en vervolgens jongen. Een avonturier of een kluns die de weg is kwijt geraakt? Dankzij ring- en zenderonderzoek weten we steeds meer over vogels en doemen er steeds meer verrassingen op.” We stappen weer op, en fietsen verder. Dansen heeft een lijvige rugzak om, daar zit zijn Canon-camera met 500 mm telelens en éénbeen-statief ingenieus in verpakt. “Acht-en-halve kilo”, zegt hij stoer. “Maar het went. De eerste tijd had ik enorme spierpijn en kramp tussen mijn schouderbladen, maar nu sjouw ik er mee rond zonder noemenswaardige hinder. Trouwens, in een fietstas moet je dit niet stoppen, veel te kwetsbaar en te duur.” “Als je op een lange fietsreis bent, is dat natuurlijk geen doen. Ik raad dan sowieso aan om een kortere lens te nemen. 300 mm in plaats van de 500, die is veel kleiner en weegt niet meer dan 1300 gram, veel minder gewicht dus”. Hoe ben je bij het fotograferen gekomen? “Ik begon met een aquarium met visjes. Oudervissen met een hele school jonkies er tussenin. Dat moest ik op foto vastleggen. Ik ging aan de slag met een spiegelreflexcamera, flitsers die ik losmaakte van de camera vanwege de spiegeling van de aquariumruit. Technisch een prima leerschool. Je ervaart wat je kunt doen met sluitertijden, diafragmeren, filmgevoeligheid, nu sensorgevoeligheid zoals je die in kunt stellen. Via die aquariumfotografie ben ik op natuurfotografie overgestapt, nadat we verhuisd waren naar de Veluwe. Via die natuurfotografie kwam ik bij natuurorganisatie Het Geldersch Landschap terecht waar ik donateurs wierf en probeerde te binden, de redactie van het blad deed en honderden lezingen gaf, in Gelderland. Nu ik met pensioen ben geef ik vooral lezingen over hoe je kunt genieten van de natuur in je eigen omgeving, maar als men wil ook over natuurreizen naar Scandinavië, Polen, Hongarije, Roemenie, Lesbos of het westen van de Verenigde Staten, het meest via Vogelbescherming en Groei en Bloei, dat zijn tuinliefhebbers.” Wat wil je bereiken met die lezingen? “Er zijn natuurfotografen die alleen fotograferen voor de kick en misschien om een eigen fotoalbum te maken. Anderen zoeken ook erkenning en roem in wedstrijden en in competitie op websites als nederpix.nl en birdpix.nl. Ik vind het vooral leuk te proberen mensen de ogen te openen voor de fascinerende flora en fauna dicht bij huis waar men als regel weinig benul van heeft. Dat laat ik zien hoe de voortplanting en het gezinsleven van een stel grutto’s of boomvalken verloopt op een paar kilometer van huis, hoe lepelaars en futen vissen op tien minuten fietsafstand en wat ze vangen. Men is vol verwondering en bewondering dat iemand daar nu juist níet aan voorbij is gegaan en het van dichtbij komt laten zien. Ik hoop dan natuurlijk dat men zelf ook meer op avontuur gaat, geniet en ook zorg wil dragen voor de kwaliteit van de eigen leefomgeving.” We slaan linksaf richting de Vlietlanden. Het weggetje steekt net boven de ondergelopen uiterwaarden uit. In het verleden – in tijden van echt hoog water - moesten bewoners hier geëvacueerd worden. Als onze rit maar niet strandt… Hoe belangrijk is fietsen voor jou? “Vier jaar geleden ben ik vervroegd met pensioen gegaan met een forse burn-out. Ik kon niet veel meer, was futloos, kwetsbaar en angstig. Ik ben er weer bovenop gekomen door te gaan fietsen en rond te kijken. Eerst rond huis, toen in de wijk, vervolgens in en om Arnhem. Geleidelijk verder, langer en sneller. Verrekijker mee, fotospullen mee. Ik zeg wel eens dat ik dankzij 1 miljoen pedaaltrappen afgerekend heb met mijn uitputting. Dan reken ik 4 meter voor een pedaaltrap, 250 pedaaltrappen in een kilometer, 4000 heerlijke kilometers om weer helemaal boven Jan te zijn!” Maar geen verre fietstochten? “Nee, niet echt. Ik heb met de Fietsclub De Betuwe een driedaagse naar de Ardennen gemaakt, zo’n 600 kilometer maar dat is iets anders, net als de vele Alternatieve Elfstedentochten, 200 kilometer schaatsen op de Oostenrijkse Weissensee, waar ik aan mee heb gedaan. Maar onze natuurvakanties naar Polen, Hongarije, Denemarken, Zweden, Roemenië en Griekenland zijn vooral wandelvakanties, ook omdat mijn vrouw veel meer wandelaar dan fietser is. Toeval eigenlijk.” Dan komt de plek waar ik bang voor was. Het laatste stukje van het pad terug naar de Ooijse Bandijk is ondergelopen. Dansen gaat voorop. Vastberaden trapt hij door. “Geen probleem, Marc”, roept hij aan het eind. Ik maak te weinig vaart, en strand halverwege. Met soppende sokken haal ik de oversteek. Dansen lacht: “ik dacht dat wereldfietsers wel meer gewend waren!” “Pas op, kijk daar links op die boom, een torenvalk”. Voorzichtig zet Dansen zijn fiets op de standaard. Omzichtig ontmantelt hij zijn fiets-rugzak. “Je moet een vogel altijd zo achteloos mogelijk benaderen. Zeg maar quasi-nonchalant”. Dan schiet de torenvalk ineens als een schicht van ons weg. “Jammer, ja, zo gaat het vaak. Vooral in West-Europa zijn de vogels vaak nogal schuw. Groot gelijk als je eeuwen lang bejaagd en verjaagd bent. Daarom zijn vogels meestal ook minder bang van auto’s, en ook minder bang van fietsers dan van wandelaars. Jagers gaan immers vooral te voet. Het is zelfs de vraag of vogels een wandelaar en een fietser tot dezelfde soort rekenen. Grapje natuurlijk, zo denken vogels niet, maar feit is wel dat een fietser meestal minder bedreigend is.”
Koos Dansen is alweer verder, hij wijst vooruit richting het weiland. “Daar zie je kolganzen, die overwinteren hier steeds meer. Je herkent ze aan hun gemarmerde borst, witte bles aan de snavelbasis en oranje poten, althans de volwassen exemplaren.” Grauwe gans, kolgans, rietgans, brandgans, Canadese gans, roodhalsgans, rotgans, nijlgans…, het duizelt me. Op geduldige wijze geeft Dansen college. “De vrij kleine rotgans met zijn donkergrijze kop zien we vooral langs de Waddenzee en de zoute Zeeuwse estuaria, maar vorige winter zaten er hier een paar verdwaald in een grote groep kol- en brandganzen. De nijlgans is geen gans maar een eend, verwant aan de bergeend en de casarca.” Hoe hou je ze in hemelsnaam allemaal uit elkaar? Geruststellend: “klein beginnen. Bij jezelf, in de buurt, in je tuin bijvoorbeeld. Wat zie je daar? Een koolmeesje of een pimpelmees? Een heggemus, huismus of ringmus? Check het in een goede vogelgids zoals die van de ANWB. Stap voor stap kom je verder. Je ontdekt misschien dat een jonge roodborst eerst helemaal geen rode borst heeft en dat het vrouwtje van de zwartkop geen zwart maar een bruin kapje heeft. Dan ga je in de omgeving kijken, bijvoorbeeld de polder hier, ideaal gebied vanwege z’n variatie. Op waarneming.nl zie je welke vogels hier de afgelopen dagen zijn waargenomen. En na verloop van tijd kun je kolgans, rietgans, kleine rietgans en grauwe gans net zo makkelijk onderscheiden als een appel, een peer, een sinaasappel en een mandarijntje. Leuk? Ga dan door. Ga ook eens op excursie met een natuurgids of vogelwerkgroep. Ontdek dat we zomervogels, jaarvogels en wintergasten hebben. Merk dat menselijke ingrepen in het landschap, zoals de aanleg van een woonwijk of bedrijventerrein voor heel aantrekkelijke tijdelijke natuurkansen kunnen zorgen, misschien wel met blauwborsten, kneutjes en gele kwikstaarten”. Dansen is alweer bezig met de opstelling voor een volgende foto. ”Dankzij je verrekijker, telescoop of telelens hoef je voor vogels niet echt dichtbij te komen. Al kun je dat wel stapje voor stapje proberen.”
Verderop bij de Groenlanden worden we geattendeerd door een natuurvorser. Hij wijst op een ondergelopen stuk uiterwaard. “Daar zit een bever, links bij dat struikje.” En ja, inderdaad. Sloom duikt het gevaarte, met een geschatte lengte boven een meter, het water in. “Ja, juist nu, met hoogwater worden bevers verdreven van woonplekken en als het te bar wordt, steken ze zelfs de dijk over op zoek naar veiliger heenkomen”, onderricht Dansen.
Dichter Willem Kloos zei ooit: ‘de natuur is zeer mooi, maar u moet er wel iets bij te drinken hebben’. Indachtig zijn woorden meren we aan bij uitspanning Oortjeshekken. Daarna draaien we terug de polder in. Ik speur de lucht af, maar kan niets ontwaren. “Niet ongeduldig worden, er gebeurt altijd wel weer wat. Let op ruige oevers, daar kunnen nu watersnippen zitten, waar je zo voorbij fietst, of misschien zelfs een houtsnip. Ervaring maakt alert. Hier, in de struiken bij een stuwtje maak je kans op een ijsvogel, daar in de kaardenbollen kunnen putters naar zaden peuteren.” Met een haakse bocht keren we terug naar het Hollands-Duits gemaal, landmark aan het begin van de polder. “Daar, in de verte, vier, vijf grote zilverreigers. In dit ruige grasland zitten blijkbaar flink wat muizen”. Koos Dansen stapt kordaat met zijn éénbeen-statief het weiland in. Stapje voor stapje, bewust in lange diagonalen zigzaggend om de dreiging te ontveinzen, nadert hij meter voor meter. Maar al op grote afstand houden de vogels het voor gezien en gaan ze op de wieken om honderd meter verderop weer neer te strijken. Op hun qui-vive maken ze schoorvoetend terugtrekkende bewegingen. “Ja, dat is jammer. Hier weer ganzen. Als je gewoon langs hen doorfietst blijven ze grazen. Maar wanneer je stopt trekken ze zich terug. Tja, hoe kunnen ze er op vertrouwen dat je niet ineens een geweer tevoorschijn zult halen?” We verlaten de Ooijpolder. Ik stel een laatste vraag. Stel, je droomt van de wielewaal, verblindend geel en met een melodieuze zang, dudeljo in allerhande variaties. Je wilt ergens in Europa gaan fietsen, waar deze vogel niet te missen zou zijn. Hoe bereid je je dan voor? “Zoek streken met veel hoog loofbos, in vruchtbare natuurrijke streken, langs rivieren en meren, waar de landbouw nog niet alle verscheidenheid heeft gladgestreken. Legio mogelijkheden. Ik fietste in mei rond het Tiszameer in het noordoosten van Hongarije en wandelde in het nabij gelegen Nationaal Park Hortobagy, en daar zagen en hoorden we overal wielewalen. Maar Duitsland, Zwitserland, Oostenrijk en heel Zuid-Europa bieden op veel plaatsen mogelijkheden. Neus rond in de winkel van Vogelbescherming Zeist of kijk op vogelbescherming.nl. Schaf een goede vogelgids aan zoals de voortreffelijke ANWB Vogelgids, of het kleine handzame boekje van Peter Hayman. Zoek vooral ook op internet, via zoektermen als bird watching cycling en de landen of streken die je interessant lijken. Tot slot, tegen degenen die ver willen fietsen zeg ik: schitterend, maar breng ook je eigen omgeving en de natuur thuis in kaart. Zo ontwikkel je de benodigde kennis en ervaring”. Dan breekt de zon toch door. “De aanhouder wint”, zegt oeroptimist Koos. We besluiten met een fotosessie van een 'zwanenmeer'. Op het goede moment bewegen twee exemplaren synchroon onze kant op. De enkele schaarse maar krachtige zonneflits geeft een goddelijk beeld. “Ja, is het niet magisch?” Koos Dansen geeft lezingen over vogels in het landschap voor allerhande gezelschappen en clubs. Stuur een bericht naar j.dansen@chello.nl. |