Gelukkig in eenzaamheidIn gesprek met boeken- en fietsliefhebber Martin Ros Door: Marc Peeters Een herfstige novemberdag. Ik ben op weg naar Martin Ros, boekenwurm, spraakwaterval, gewezen boekenrecensent op de zaterdagochtend bij de TROS-nieuwsshow. De treinen hebben vandaag weer eens te lijden onder het onstuimige weer. Natte blaadjes zorgen voor stremmingen. Ik besluit daarom om vanaf Ede-Wageningen de bus te nemen. Een 10-strippenrit die mij dwars door de – met een in deze periode grandioze kleurenpracht – Veluwe voert. Ik zie conferentieoorden, vele vakantiehuisjes en bevindelijke kerkgemeentes aan me voorbij trekken. Dan arriveer ik in Putten: de plek van bestemming. In dit stadje in het noordelijke ‘Bible belt’-deel van Veluwe, overbrug ik de wachttijd met een bezoek aan een monument. Aan het eind van de 2e wereldoorlog vond hier een gruwelijke razzia plaats: het complete mannelijke deel van de bevolking werd door de Duitse bezetter afgevoerd naar concentratiekampen. Martin Ros woont in een soort vakantiehuisje. Daar afspreken voor dit gesprek wilde hij liever niet: “Nee, niet bij mij thuis, daar liggen alleen maar boeken”. Het gerucht gaat dat Ros ooit uit zijn vorig huis is gezet omdat de vloeren doorzakten onder het gewicht van zijn vele duizenden boeken. Ros was een ‘luistercijferkanon’, op het hoogtepunt luisterden rond de 700.000 mensen naar zijn geestdriftige aanprijzingen vol met hyperbolen. Volgens Maarten ’t Hart stonden alle taxi’s in Leiden om half elf altijd stil. Ssst, deden ze dan: Martin Ros spreekt! Als gevolg van een Hilversumse verjongingskuur kwam aan dit tijdperk een eind. Bij zijn afscheid op de radio barstte Ros (70 jaar) in tranen uit: “Ik heb het altijd graag gedaan. Dit is mijn passie”. Ros heeft echter ook andere passies – en daarover ga ik graag met hem in gesprek. In het café tegenover de kerk wacht ik op Martin Ros. Als ik begin te vermoeden dat hij de afspraak vergeten is, zie ik hem buiten aan komen lopen. Alsof ineens Orson Welles uit de filmklassieker The third man opdoemt in het Weense Praterpark. “Goedemiddag. Gaan we hier zitten?” (met die karakteristiek sonore stem die de lezer wellicht ook kent van dat reclamespotje: “..., glas-helder”). Ros heeft een stapeltje meegenomen. Pontificaal legt hij de Wieler-revue op tafel, met op de cover Lance Armstrong. “Ja, dit lees ik graag om de wintermaanden door te komen”. Ik begin het gesprek door Martin Ros te vragen hoe een man die in de Hilversumse katholieke wijk Klein-Rome opgroeide, in deze gereformeerde uithoek terecht is gekomen. “Dat komt door mijn vader. Hij was lid van de Katholieke Arbeiders Beweging en ging geregeld naar deze hervormde gemeente toe. Op een tandem, want hij kon maar met één been trappen, en ik zat achterop. Vaak tuimelde ik, zo tussen Nijkerk en Putten, van de tandem af doordat ik in slaap viel. Mijn moeder zei dan “stop eens man, hij is er niet meer”. We kwamen dan langs de Oude Kerk van Putten, waar in 1944 zich het grote drama van het wegvoeren van zovele Puttenaren afspeelde. Zo heb ik de omgeving hier leren kennen. Het is hier prachtig, heel verstild.” Ros pakt een boek van tafel en wijst op de achterflap. “Dit is dus een heel bijzondere foto. Dit ben ik op zesjarige leeftijd. En die fiets, die is gemaakt door mijn broer, want die was loodgieter. Jaah, had u niet gedacht hè.” U was een gepassioneerd fietser. Hoe kwam u daar toe? “Dat kwam door het ‘hele erge’ [jargon van Ros voor alles wat met sex te maken heeft]. Ik kon er niet van afblijven. (Ros maakt schokkerige bewegingen bij zijn kruis.) En ik biechtte dat op bij kapelaan Stip. Ik was misdienaar, ik moest wel. Ja, en wat zei die, eerst nog: “ga maar zwemmen”. Maar het werd helemaal niet minder. Al die vrouwen op zwemles met bustes. Zelfs het koude water hielp niet (Ros zijn stem stijgt naar een geëxalteerd niveau, hij lijkt de woorden uit zijn longen te persen). Toen moest ik gaan fietsen. En dát werd mijn kuisheidsritueel. Ja, schrijft u dat maar op! Als ik dan ‘s avonds terugkeerde kon ik ‘m gewoon niet meer vinden!” Een gouden tip? “Ja, ik kan het dus iedereen aanbevelen. Ik had het ook niet gemakkelijk hoor. Twee zusjes, ik beloerde wat ze aantrokken. Al die bh’s van Hunkermöller. Ik was heel geil. Maar nu niet meer. Ik heb het af-ge-leerd (Ros spreekt elke lettergreep met klem uit). Ik kan het elke jongeman aanraden, echt waar: het werkt!” U fietste ver? “Ja, ik was helemaal bezeten van Jean Robic [de eerste na-oorlogse Tour-winnaar, WF]. Ik had net zo’n gebocheld figuur, maar daardoor klom ik als de beste. Ik las eens dat Robic altijd net zo lang doorfietste tot hij razende honger kreeg en dan pas ging eten. Ik deed precies hetzelfde op mijn favoriete ronde: Hilversum-Amersfoort-Arnhem-Apeldoorn-Hilversum. 130 kilometer, op één dag.” Met de Posbank? “Ook de Posbank, hahaha. En ik reed in twee of drie dagen rond het IJsselmeer. Wat dacht u daarvan? De trossen bananen die ik verslond deden me telkens aan Robic denken. Ik voelde me lang gehandicapt met mijn appelenhoofd, ook daarin voelde ik me solidair met Robic. Of ik reed door die poldervlakte, vanaf Eemnes naar huis, vreselijk, altijd waaien. Ja, dat is trainen.” Deed u dat graag? “Jazeker, het was de mooiste tijd van mijn leven. En vroeg naar bed hé. Je moet er voor leven, er voor leee-ven (Ros herhaalt). Zet dat ook maar in uw stuk.” Ik vraag Ros om een stukje voor te lezen uit zijn eigen boek “Herinneringen aan mijn Roomse jeugd”: Ik ging dan de waarden in, de Lopikerwaard, de eerste waard na Woerden, zo’n dertienhonderd hectare groot, tussen Oudewater, Haastrecht, Schoonhoven, Lopik, Benschop en IJsselstein, en zonder meer de mooiste streek van Nederland… ( Ros: ja schitterend, ôôhh)...Ik genoot van het fietsen, bij het genieten van het landschap. Ik ontwaarde de Hollandse einders achter het onbebouwde land. Rijdend over dijken en wegen die nauw en precies de waterkeringen volgen en tekenen, lijkt het alsof men de huizen, de koeien, de mensen zo kan plukken. Het was een bevrijdend landschap. “Ja, hoe vindt u zoiets?” In 1956 stopte u ineens. Waarom? “Mijn grote held Fausto Coppi verloor dat jaar de Ronde van Lombardije. Hemel, wat huilde hij toen, hij was kapot. Oooohh, ik ook, wilt u dat opschrijven. Het tijdperk Coppi was voorbij, en daarmee ook mijn fietsleven. En, ik ging studeren. Geschiedenis, in Utrecht. Op een kamertje van drie bij vier (verheft zijn stem). Ik had geen tijd meer voor die grote ritten. Bovendien was ik inmiddels verlost van die ontuchtige visioenen, begrijpt U?” U moet het toch gemist hebben? “Ja vreselijk, maar ik had ondertussen wel de Ronde van Uithoorn gewonnen, in 1954. Dat is niet niks hoor! Ik zal u iets vertellen. De fiets waar ik die ronde op won, had ik vlak daarvoor opgehaald in Halfweg samen met mijn broer. Op de terugweg ben ik in de sloot geduikeld. Ik zat helemaal onder de modder, mijn moeder herkende me niet meer (haha).” Heeft u nog meer gewonnen? “Jazeker, ik kon goed sprinten, dus won ik al die premies. Haarzuilens, daar won ik altijd. De mooiste tijd van mijn leven. Of ik won allemaal van die lampen bij elke doorkomst. Kwam ik thuis, gaf ik ze aan mijn zusje, en die zette ze dan in de garage (lacht hardop). Begrijpt U?” Maar nooit meer gefietst? “Jawel, maar niet meer officieel. Die licentie was ik kwijt. Eigenlijk had ik gehoopt dat iemand mij zou ontdekken: “kom jij maar mee naar de Tour de France”, haha (schatert).” Martin Ros wenkt naar de serveerster: “doet u mij een biertje!” En naar mij gericht: “Drinkt u zelf ook wat!” Ik bestel een koffie, en krijg daar zowaar een whiskey-likeurtje bij. Ros: “Ja, keurige mensen hier”. Ondertussen verschijnen er mensen in het etablissement die ook willen lunchen. Tegen een jonge moeder met kind begint Martin Ros een praatje: “zo’n kind verheugt uw dagen wel hè”. Het kind komt naar ons tafeltje. Martin Ros herkent de blijdschap in het jongetje. “Haha, jij wilt met ons meepraten, hè. Dit is iemand van de Fietserskrant, of hoe heet uw clubje ook alweer? Weet U, ik ben dol op kinderen. Waar waren we gebleven? Wist U dat U hier op een historische plek staat? De Duitsers hebben hier alle mannen in ‘44 weggehaald, naar een kippenhok waar het tien graden vroor. Dat wist u niet hè.” U noemde zojuist de wielrenner Coppi, was hij uw grootste idool? “Ja, dat hoef ik U toch niet te vertellen. Van Coppi is de beroemde zin “Het is een lust om te leven, omdat het een lust is om te fietsen”. En op 2 januari 1960 overleed hij, omdat die Italiaanse artsen niet doorhadden dat hij een malariainfectie had. Italianen, die kunnen toch ook niks, schrijf dat maar op. Ze konden nog niet eens een veldslag in de oorlog winnen. Pantani hebben ze ook omgebracht! 2 januari, op mijn verjaardag! Toen ik het radionieuws hoorde, heb ik liggen huilen op bed. Vóó-la-re, ohohohooo (uit volle borst), dat zong Coppi. Ik hoorde het op de radio. Ooohh, op zo’n moment vergeet je al je boeken, besognes, en verlangens. Fiets…fiets! Je weet het toch, ik hoef het jou toch niet uit te leggen?” Ros pakt een boek op tafel, door hemzelf geschreven: Fausto Coppi, een heldenleven. “Hier, dit is mijn droomboek. Ik lig er nog nachten van wakker. Ooohhh! (heft zijn handen omhoog.) Zeg tegen al die mensen van uw vereniging dat ze dit gaan lezen. Lees dit boek!” Herkent u zichzelf ook in de klimmer Coppi? “Ik was een klimmer, jazeker. Maar waar ik woonde en trainde, daar had je geen bergen. Dat weet u toch ook! Met de vakantie ging ik er op uit, naar de Ardennen. Naar de Eiffel, prachtig gebied! Klimmen! Klimmers zijn gelukkig in hun eenzaamheid. Het alleen door die bergen fietsen, òòh. Schrijf maar op. Net als schrijvers, je zit er alleen voor en het is prachtig als het lukt.” Ging u altijd alleen? “We vertrokken vaak met z’n drieën. Maar die konden mij niet bijhouden (Ros schatert). Op een gegeven moment heb ik me verscholen achter een boom, tot ze voorbij waren. En dan hoorde ik: Mar-tinnn… Mar-tinnnn. (Het overig bezoek in etablissement De Hertogh kijkt om als Ros zijn verhaal van extra volume voorziet.) Ze zochten mij! Ben ik alleen verder gegaan. Voor mij was dat de absolute vrijheid.” Waar fietste u dan naartoe? “Mijn hemel, ik ben tot de Eiffeltoren gefietst. Daar deed je ongeveer drie dagen over vanaf de grens. Ik had helemaal geen geld en onderweg overnachtte ik bij boeren. Maar weet je, de ergste boeren zijn Franse boeren. Altijd van die honden achter me aan. Vuilakken zijn het. De Belgen, geen probleem: “mee-eten? kom maar!” Zuid-Limburg bent u zeker ook vaak geweest? “De Cauberg. De de rillingen gaan nog over mijn lijf. Daar vloog ik op! En verder door naar Bouillon. Ik ging vroeg naar bed in de jeugdherberg, kostte maar drie gulden of zo. De mooiste tijd van mijn leven. En dan die Eiffel, wat een ruimte en een stilte, daar bent zeker ook vaak geweest? Daar hebben de Duitsers dus ook hun laatste offensief ingezet…” Vanaf dat moment is Ros voor de zoveelste maal vertrokken voor een lang exposé over Hitler (“hij dronk niet en las heel veel, Shakespearre, jaahh, wist u dat?”), de rol van de Russen in de 2e Wereldoorlog en de slag bij Stalingrad. Hij bestelt een uitsmijter (“met spek graag. Het is hier heerlijk eten”) en ik kan hem de volgende vraag stellen. Er zijn kennelijk twee onderwerpen die uw bijzondere interesse wekken: de 2e wereldoorlog en de wielrennerij. Hoe komt dat? “Ja, dat komt door de heroïek. De strijd en de ondergang. Je staat er alleen voor, alles raakt verscheurd. Het is de eenzaamheid van de mens, je bent buiten en zoekt het avontuur op - en het is prachtig als het lukt wat je wilt, een etappe winnen bijvoorbeeld.” Mist u het fietsen niet? “Och ik heb nu toch de boeken. Boeken, die tillen mij over de werkelijkheid heen, boven je verwachtingspatroon. Elke dag denk ik weer: ha, een nieuwe dag, ik kan weer lezen, meteen ‘s morgens vroeg, zonder ontbijt.” Fietsers en lezers lijken op elkaar? “Ja, allebei gelukkig in eenzaamheid. Die grote eenzaamheid, die brengt je alleen maar geluk. Dat is het laatste wat ik hier zeg.” Bij het afscheid signeert Martin Ros mijn exemplaar van zijn boek over Fausto Coppi: “Voor Marc, een echte liefhebber, in waarachtige vriendschap”. Martin Ros is sinds enige tijd weer wekelijks te beluisteren via een podcast op www.selexyz.nl. |