Melden in Melden
De Koppenberg: zwaar gecontesteerd, een folie of een anomalie? De coureurs denken er het hunne van, en ik – ik dacht in 1982 (of was het 1983?): daar wil ik ook eens op.
Ik studeerde in Eindhoven, en tegen de tijd dat de tentamens er aan kwamen werd het weer eens tijd om de schroeven aan te draaien. Een studievriend had me verteld over Gent, en hoe je daar in de zomer voor een habbekrats kon overnachten in het studentenhospitium. Alle Gentse studenten verwisselden dan hun kot voor een verblijf bij pa en ma. De leegstaande kamers werden onderverhuurd. En inbegrepen was een ontbijt, dat op royale wijze in de nabijgelegen mensa werd aangeboden.
Op een mooie voorzomerse dag vertrok ik per fiets met een rugzakje met daarin alleen het hoognodige (waaronder een syllabus van een struikelvak) naar Gent. Ter ontspanning had ik ook bij me het boek van Robert Pirsig: De kunst van het motoronderhoud. Ik trainde mij de dagen nadien in het analogiedenken: vervang ‘motor’ door ‘fiets’.
Ik trok in en ging meteen de kaart bestuderen. Dat was een Michelin-kaart met schaal 1:200.000. Een fietsmaat had mij de ogen (lees: benen) uitgestoken door te vertellen over zijn beklimming van de Koppenberg. Een pukkel (kaske zouden de Vlaamingen zeggen), waar veel over te doen was. Mijn grote held Hinault vervloekte de berg met het argument dat wielrenners geen circusartiesten zijn. Ik vroeg mezelf af of ik geschikt was voor een optreden in de arena.
De enige parameter die ik had was het dorpje Melden – daar zou ie liggen. Gelukkig meldde Michelin het plaatsje op de kaart, en de weg ernaartoe was eenvoudig: er liep een grote (want op de kaart als rood aangeduid) weg naartoe, in ongeveer 25 kilometer. En in Melden zou die Koppenberg toch wel als vanzelf opdoemen – zo stelde ik me dat voor.
De volgende dag ging ik op weg. Die rode weg was een rotweg, zo eentje met betonplaten: keduunk, keduunk, elke keer als je versprong van plaat.
Daar was Melden, ik draaide het dorp in, terwijl de spanning steeg. Waar was die onverlaat nu? Gelukkig was daar toen al het woud aan pijlen dat wielertoeristen een handje moest helpen op weg naar hun einde. En het gros wees maar één kant op. En ja hoor, daar zag ik aan het eind van de weg iets liggen dat vervaarlijk naar boven dreigde…. Ik schakelde terug naar mijn lichtste verzet (42x26, ongehoord) – en ik begon eraan. Het ergste waren in het begin de kasseien: schots en scheef, als het verweerde gebit van een oude versleten man die ook nog uit zijn bek stinkt. Ik probeerde mijn gedachten uit te schakelen (“Werkelijkheid is altijd het moment van visuele waarneming voordat de intellectualisering optreedt”, RM Pirsig). Ik hotste en hobbelde voort, de top wat troebel voor ogen. Graag wilde ik uit het zadel om te gaan stampen, maar de kakafonie aan keien belette mij dat. Gelukkig werd ik geholpen door dwars over de weg gekalkte getallen die de afstand tot de top aangaven. De getallen stonden er in honderdtallen. Dit hulpmiddel kende ik reeds van Tourcols, maar daar was een aanduiding in kilometers voldoende. Hier gingen de hectometers zo traag voorbij, dat een kilometer een eeuwigheid zou duiden. Ik kroop van 300 naar 200 naar 100 en ineens stond daar “Pffft” (humor?).
Het zat er op, mijn eerste kennismaking met de Vlaamse Ardennen - en mijn beeld van wat het wielermetier inhield had weer een flinke injectie gekregen.
Werk gedaan, ik wilde naar huis. Ik weet niet meer precies hoe ik dat gedaan heb. De Koppenberg ben ik in ieder geval niet meer afgedaald. Misschien via de parallel gelegen Kortekeer?
In ieder geval heb ik ’s avonds op de Korenmarkt een flink aantal Brigandjes genomen. En ook weer niet te veel, want de dag erop moest er nog wel gestudeerd worden.
|