Mei
Bier smaakt het best na een gezonde fietsrit. Vreemd dat geen commercial daar op inspeelt. Maar ik ga daar nu ook niet voor pleiten – begrijpelijk.
Ik zit goed hier. Terras Café ’t Haantje. Net terug van een fikse tocht door het achterland van het Rijk van Nijmegen. Een uitbundig zonnetje, ha! Vandaag had ik geen pap maar jus in de benen. En zo meteen dan bier. Een pul voor mijn neus. Even uitblazen en bijtanken. Mijn vriend de fiets naast me.
Kijken wat er zoal langs komt hier. Dolce far niente.
Een auto met de ramen open. Muziek hard aan. Kinderen achterin. Wat bezielt die lui toch om met dit mooie weer in zo’n bakbeest plaats te nemen?
Een jongen en een meisje verschijnen, naast elkaar fietsend. Handje in handje, tortelend. In een auto is zoiets toch moeilijker, minder romantisch ook - lijkt me.
Dan weer een hele tijd niks.
Schuin tegenover zie ik nu ineens een muurschildering met daarin de opvallende tekst: “Carpe dinges”. Met een dergelijke taalkundige frivoliteit pluk je de dag als vanzelf.
Een vrouw met kind komt aangefietst. Moeizame tred. Plots stuift een kat straat over, vlak voor de fiets langs. De vrouw schrikt opzichtig, de kleine kirt van blijdschap.
Aan de overkant worden de ramen gezeemd. Rechtsboven mij hoor ik schreeuwen:
“Heb je al gehoord dat Suzan zwanger is?”
De ramenlapster reageert meteen: “Ah joh, alweer dan?”
“Kom je ook bij Sjaaks’ afscheid?“
“Wanneer al weer? Ben vergeten op te schrijven.”
“Ik stop zo wel een uitnodiging in je bus”, verzucht ze.
Comedia dell’arte in Nijmegen Oost…
Ik leun lichtjes achterover, zodat de zon mijn aangezicht volop kan bereiken. Het aangenaam ruisen van de lindeboom. Vogels kwekken volop.
Twee mannen en een vrouw komen keuvelend aangelopen. Ik richt mij op. Zij: blosjes op de wangen, blote benen, bordeauxrood gelakte teennagels. Ik neem nog een slok.
“Mogen we hier zitten?”
Ik, gespeeld verschrikt: “Ja natuurlijk”.
“Mag die fiets aan de kant?”
“Ha, ja, drie plaatsen is wat teveel van het goede hè”.
Een pelotonnetje fietsers wordt ingehaald door een auto. Claxon en al. De fietsers reageren met veel misbaar: “rot op man!”. Ik hoor het getier wegechoën.
Heel eventjes keert de stilte terug, afgezien van het kalmerende getsjilp van de vogels – nee, toch niet, rechts van mij is het gesprek al op gang.
“Jij fietst toch ook wel eens Hans?”
“Op en neer naar Oortjeshekken zeker”, smaalt de andere man.
Hans laat zich niet zomaar wegzetten: “Tututut…, vorige week nog met de Wedrenners mee geweest”.
Zij: “stoer hè, die bink van mij!”
Hans ontvangt haar kus - via luchtpost verzonden – met zichtbaar genoegen.
Een mobiel gaat af. Ik kan een geïrriteerd pruilmondje niet onderdrukken. Het is die van haar: “Met Chris” … “Nee, bij ’t Haantje, met Wouter en Hans”… “Ja, heerlijk hè”… “Hoe laat?”… “Even wachten”. Zij houdt discreet de handpalm om de mobiel. “Jongens, Ans vraagt of we iets later kunnen vanavond, acht uur”.
Er wordt kennelijk ingestemd. Chris vervolgt met “ze vinden het goed, moet ik nog iets meenemen?”… “Is goed, doeeeeei!”.
Er wordt eventjes gegeeuwd.
“Nemen we er nog eentje?”, meen ik Wouter te horen zeggen.
“Mmwaah, liever nog even de stad in”, oppert Chris.
“OK, ik reken wel even af”.
En weg zijn ze. Ik leun weer achterover.
Vanuit het café hoor ik door het openstaande raam Edith Piaff: “Non, je ne regrette rien”. Ik krijg ineens zin om de Mont Ventoux op te fietsen. Andere koek dan de Oude Holle Weg…
Al snel word ik weer in de realiteit teruggeworpen. Twee mannen komen de Daalseweg afgestoven. In het schichtige voorbijgaan vang ik flarden op: “all inclusive”… “wanneer?”..., galmt het na.
Nee, daar heb ík nu geen trek in. En zo dommel ik weer in, dagdromen van fietsen in verre gebieden.
Mei - voor mij mag het een eeuwigheid duren. En wat komt er nog: juni, juli, augustus…- en verder.
De uitbater loopt naar buiten en neemt de lege kopjes van het verdwenen gezelschap naast mij mee.
Een blik van mij is voldoende.
“Nog eentje?”, vraagt hij.
Ik hoef alleen maar te knikken.
|