Naamloos

Tegen een laag muurtje ligt een hond. Wind steekt op. Buskaartjes fladderen door de lucht. Een man met een plastic tas probeert ze te vangen. “Hebbes!” en hij toont er eentje triomfantelijk aan een man met een hanenkop.
“Waar wil je dan naartoe?”
“Misschien kan ik het nog verkopen”, zegt de plastic-tas-man, terwijl hij verlekkerd het kaartje inspecteert.
De hanenkop lurkt aan een bierfles. Hij sjokt naar het bankje aan de overkant. Daar neemt hij plaats naast een oude man op blote voeten, half in slaap omvergevallen.
“Schuif eens op mafkees”.
Een geeuw, gevolgd door een onwillige manoeuvre.
“Heb je het al gehoord van De Schele?”, begint de hanekop.
“Nee, al een tijd niet meer gezien”.
“Is vorige week de hoek omgegaan”.
“Wat?”
“Ja”, terwijl hij de fles met een stevige teug tot op de bodem leegdrinkt, “dat zag je toch van ver aankomen. Eigenlijk al vanaf de scheiding”.
“Ik zag haar laatst nog”, de blootvoeter nu klaarwakker. “Ze maakte zich helemaal niet schuldig. Terwijl zij met dat spul begon”.

Van links komt een vrouw aangelopen, met lang rood loshangend haar. Korte plissérok, bloemetjesmotief, daaronder hoge laarzen. Ze duwt een Aldi-kar vooruit.
“Meissie, heb je het niet warm in die soepjurk van je?”, begint de plastic-tas man.
De Aldi-vrouw rochelt wat. “Heb je een saffie voor mij?”
“Wist jij van De Schele?”, schreeuwt de blootvoeter.
Ze duwt haar kar bijna tegen een passant. “Sorry meneer”.
“De Schele, die is dood toch? Het laatste wat ie tegen mij zei: ‘ik zie je wel weer’.
“Humor hè, die man”. De hanekop ontkurkt een volgende fles.
“Kan ik niet een fles van je kopen? Ik heb hier een geldig buskaartje”, terwijl het slijm uit zijn mond sijpelt.
“Rot op met je kaartje, waar moet ik dan naar toe?’”
“Je moeder leeft toch nog?”
“Denk je dat die mij nog wil zien?”.
“Maar mij wel hè schatje”. De Aldi-vrouw duwt haar borsten vooruit, en omhelst de hanekop. “Eèn sigaretje, asje”.
De hanekop duwt haar weg. “Scharrel jij een eind weg. Vorige keer lebberde je met die viezerik daarachter”.
Ze sjokt met haar kar naar de afvalbakken. Daar graait ze wat, haar hoofd opzij gebogen.
De blootvoeter loopt naar de kaartjesautomaten. Eén voor één tast hij het wisselgeldvak af. Gefrustreerd steekt hij een hand uit naar een oude vrouw die net uit de bus stapt.
“Hier heb je wat, koop eerst maar wat sokken”.
De hanekop roept: “Hoor je dat? Weet jij nog wat dat zijn, sokken?”
De blootvoeter draait zich om, en loopt rustig richting hanekop. Die grijnst wat. Dan ineens grijpt de blootvoeter de hanekop bij de keel. “Weet je nog, ik heb jou indertijd uit de shit getrokken. Hoeveel geld krijg ik nog van jou?”

Een politiewagen rijdt het plein op. Twee agenten stappen uit. Meteen houdt de blootvoeter op.
“Ben je weer mal aan het doen?”
Deemoedig wijkt de blootvoeter terug.
“Wij vinden alles goed, zolang je elkaar en de reizigers hier niet hindert.”
“Wanneer krijgen we weer poen?”
“Daar gaan wij niet over.”
“Aanrijding in de Van Wolwijkstraat”, klinkt de intercom uit de politiewagen. “Kom, let’s go”. De politieman tikt de blootvoeter nog op de schouder “Hou je rustig hè”. De wagen keert om en rijdt weg.

De hanekop tikt de blootvoeter aan: “weet jij wie dat is?”. En hij knikt naar de overkant waar naast de hond een man met capuchon diep over het hoofd getrokken half voorover gebogen zit. Rugzak met een matje erop gebonden achter zich op het talud.
“Die eikel spreekt geen woord van hier. Stinkt uit z’n bek. Hij ziet er ook raar uit. Verweggistan denk ik”.
Een vogel scharrelt wat rond, en pikt wat kruimels op. De blootvoeter schopt ernaar en spuugt eens stevig op de grond.
Uit een langsrijdende auto wordt een asbak geleegd.

Marc Peeters

 

Nijmegen, september 2015