Paula

Zoals ze daar zat was niet echt opvallend. Aan tafel, schuin voorovergebogen, schijnbaar half iets lezend, half luisterend naar de persoon tegenover haar. Haar gelaat net zichtbaar voor Marc, terwijl hij haar argeloos voorbijliep. Het leverde een voldoende glimp op om hem aan het duizelen te brengen: “ik ken haar”. Dat besef bracht een schokgolf teweeg, die slechts tot stilstand gebracht kon worden door een golfbreker die hem duidelijk kon maken wie zij was. Confuus liep Marc door, zijn oorspronkelijke doel volledig vergetend, amechtig op zoek naar een hint, een teken, een signaal, bij toeval hem toegeworpen. De kasten links en rechts van hem boden geen soelaas, ze vormden slechts een decor, terwijl ze zoveel wijsheid, kennis of aangrijpingspunten in pacht hadden. Alles heeft een naam, en de literatuur is ervoor om dat een rustplaats te bieden. In dat universum van woorden doolde Marc rond als een zombie, gravend in zijn geheugen. Hij kon laatjes opentrekken, een willekeurig boek uit de kast trekken, of zijn geheugen pijnigen. Maar de triggers die hem geboden werden brachten geen verlossing. En als hij zich doelbewust omdraaide, haar nogmaals passeerde, om weer een glimp op te vangen, brak er nog steeds geen licht door. Het blonde haar, de lokken die als een gordijn voor haar ogen dreigden te vallen, de wat breed uitgevallen trek om haar mond, haar bovenkleding, het leek wel iets van alpacawol. Marc concentreerde zich of hij iets kon opvangen van haar stem, ze zweeg echter, hetgeen ook zeer gebruikelijk en gewenst was in deze ruimte. Waarom had ze dan een ontmoeting met haar gezelschap hier? Marc drentelde op en neer, zo’n flits van inzicht kon toch elk moment verschijnen, of hoopte hij dat zij zich zou oprichten en een expressie van herkenning zou uiten: “Hee Marc!”. Dat kon natuurlijk ook, het symmetrische feest van herkenning.
Desperaat las Marc de ruggen van de boeken. Conny? (De Wetten), Alice? (Weg van haar), Herta? (De mens is een grote fazant), Margriet? (Eerst grijs, dan wit dan blauw), Wislawa? (Uitzicht met zandkorrel), Svetlana? (Het einde van de rode mens). Oneigenlijke reddingsboeien van de wereldliteratuur.

Ruim twee jaar eerder
De groep bestond uit zo’n 20 mensen. Op vliegveld Ezeiza in Buenos Aires stond onze lokale reisleidster al in de aankomsthal, als zodanig herkenbaar dankzij het bordje Shoestring. Ze sprak Engels, gebroken, hakkelend.
Marc vielen meteen haar lokken op. Telkenmale ze het woord vroeg, schudde ze ten teken daarvan het hele regiment voor haar ogen opzij.
Hij maakte kennis met de andere leden. Er waren er bij uit zijn eigen woonplaats, Nijmegen, hij kende geen een daarvan, nog niet van gezicht. ’s Avonds aan tafel vroeg Marc of iemand ooit van Jorge Luis Borges had gehoord. Het antwoord stelde hem teleur.
De dagen nadien zwierf de groep per bus door de eindeloze pampas, op weg naar het einde van de wereld. Achter en voor hem werd gepraat; de woorden verdampten in een wollige brij van wolkjes, zoals we die onuitgesproken kennen uit een stripverhaal. Marcs gedachten verdronken in de eindeloze leegte. Doelloze dagen in Patagonië.
Aangekomen in Ushuaia checkten ze in in Albergue Fin Del Mundo. De wandjes zo dun als een uitklapbaar kamerscherm waarachter de vrouw zich puriteins verkleedt. ’s Nachts hoorde hij het gemurmel en gestommel in de kamer naast hem, die van de gids.
De volgende ochtend vertrok de bus weg uit Vuurland, op weg naar Punta Arenas, een zanderig punt net over de grens met Chili. De Nijmeegse delegatie zat achterin te dommelen.

“Hola Marc!” Zij was het die de banvloek van de anonimiteit brak. Marc was beduusd, blij verrast en ook gerustgesteld, er was dus toch sprake van een bekende. En als bij toverslag wist hij haar naam, de magie van een ontmoeting, waarin hij zelfs vliegensvlug schakelde naar de geëigende taal.
“Paula, qué haces tú aquí?”
“Ieke doe ie een inboergeringskoersoes” Ze sprak beter Nederlands dan haar Engels indertijd.
“Hè?”
“Ieke wone ier en Woutèr, ien Bottendaal”.
“Hè?”
Ze praatten wat. Voor Marc was het alsof hij in een capsule heen en weer door de tijd werd geslingerd. Dronken van gedachten, op zoek naar houvast op een woelige zee, zich vastgrijpend aan feiten en waarheden, valse veronderstellingen over boord smijtend.
Marc liep de leeszaal uit. Het boek van W.H. Hudson lag verweesd op een tafeltje. Op een karretje van recent ingeleverde exemplaren, lag bovenop een boek van Isabel Allende.

 

Marc Peeters
November 2016