Reis met een stalen ezel door de Cevennen

In het spoor van Robert Louis Stevenson

 

In 1879 trok Robert Louis Stevenson twaalf dagen lang door de Cevennen. Hij deed dat te voet, in het gezelschap van zijn ezel Modestine. Zijn verslag is later ook in Nederland uitgegeven, met de eenvoudige titel Reis met een ezel door de Cevennen [zie kadertje]. Stevenson wilde met deze reis een doodgelopen liefde vergeten (enkele jaren later zou hij alsnog huwen met Fanny Osbourne) én hij was geïnteresseerd in de achtergronden van de opstand der Camisards, de witgehemde protestantse guerrillastrijders die hier hun vrijheid van godsdienst bevochten.

Jaren later brak Stevenson door als schrijver van ondermeer Schateiland en de lotgevallen van Dr Jekyll & Mr Hyde.

In 2010 fietste ik door een deel van ditzelfde prachtige nationale park van Frankrijk. Ook ík was in het gezelschap van een ezel, een stalen ezel ditmaal, die ik gebruikte als vervoermiddel. Ik volgde per VTT (Vélo Tout Terrain, hier te lande aangeduid als mountainbike) een deel van de Grande Traversée du Massif Central, een traject van 678 kilometer startend bij Clermont Ferrand, eindigend in Sète aan de Middellandse Zee.

 

Dag 1

“Het is warm vandaag”, zegt de uitbaatster als ze met de wasmand terug naar de herberg sjokt. Begin september. Het is een stralende nazomerdag.

Behoedzaam manoeuvreer ik mijn fiets door de diepgelegen tracks in het pad. Geregeld stoot ik met mijn cranks tegen de rand. Mijn navigatie vertrouwt volledig op de zon en de enkele bordjes.

Een roofvogel scheert over me heen, en schiet schichtig het bos in. Knap hoe hij een weg vindt tussen alle takken en boomstammen.

Na een uur ontmoet ik een levensteken. Een boer op weg naar zijn koeien. Een obligate groet volgt. Ik fiets over de kam van de Mont Lozére. Links zie ik in de diepte bergdorpjes half verscholen tegen beboste flanken, en even verderop de skiliften onderaan de Col de Finiels. De moderne tijd drukt ook hier zijn stempel.  

De afdaling naar Le Pont-de-Montvert is een finale beloning voor de inspanning. De biere pression lonkt.

 

Dag 2

Dertig jaar geleden fietste ik hier ook, als jong broekie op een Batavus-sportfiets, op zoek naar het gebied dat Tim Krabbé met veel bezieling beschreef in De Renner (uitgeverij Thomas Rap, 1978) – de wielerroman die mijn leven voorgoed in een plooi heeft gelegd. Ik begreep toen meteen waarom Krabbé hier wilde resideren als schrijver-fietser (of andersom). De rust, de schoonheid, de grilligheid, de historie.

In het begin van de 18e eeuw startte hier in Le Pont-de-Montvert de godsdienstguerrilla van de Camisards, de witgehemde protestanten, na de moord op de abt van Chayla, die de protestanten aan het vervolgen was. De moord vond plaats in de tuin van het woonhuis annex folterkamer van de abt, dichtbij de gotische brug, versierd met kloktoren, die de Tarn hier overspant. Deze voor de Cevennen zo markante rivier is hier nog niet meer dan een wilde beek.

Ik fiets verder langs de zuidelijke oever van de Tarn, langzaam naar boven. Als ik eerst de bebouwing en daarna de sparrenbossen achter me laat ontvouwt er zich een ruim open weids landschap. In een boerengehucht rijden wat tractoren aan en af. Even verderop tref ik een wandelaar aan die op zijn gemakje een lunch tot zich neemt: “On prends des forts”. Ook ik heb behoefte iets sterks tot me te nemen. Van de bakker heb ik kastanjebrood meegekregen.

Ik verlaat het weidegebied en duik opnieuw een bos in. De geur van knapperig vers gekapt hout prikkelt mijn reukzintuigen. Vlinders vergezellen mij.

Ik fiets het bos uit, achter een rotspunt krijg ik een adembenemende uitzicht over het dal van de Tarn. Aan de overkant van het dal zie ik boerendorpjes. Een auto, op de gok pauzerend bij een auberge, weerkaatst de schittering van de zon.

Verderop, op de Col du Sapet staat een menhir als mijlpaal. In de verte zie ik op een bergmassief twee luciferstokjes staan. Die horen onmiskenbaar bij de Mont Aigoual, het landmark in het zuiden van het Cevennen, onlosmakelijk verbonden met de ronde die Tim Krabbé beschrijft in eerder genoemd boek. 

Via een pad met verbrokkelde granieten keien daal ik af naar de Tarn. Voorzichtig aan hier, want één onverhoedse beweging en je vliegt over de kop.

Florac ligt als stadje in de schaduw van de Causse Méjean. Het is hier vroeg donker. Engelsen met ‘old-timers’ rijden af en aan.  

 

Dag 3

Florac staat volgens Stevenson bekend om zijn knappe vrouwen. Kennelijk had hij een bijzondere agenda op zijn reis. Ik daarentegen heb alle aandacht voor de zondagmarkt. Het is een drukte van jewelste. Ik laveer tussen de kraampjes met produits regionales de la ferme op zoek naar de start van troncon 26 van de Grande Traversee.

Het is lunchtijd in Blajoux. De cafébaas zit buiten in blote bast onder de kastanjeboom te wachten op klandizie. Binnen staan potjes confitures de figues te koop op tafel. Ik neem wat ‘bajana’ (soep getrokken van kokosnoot) met kastanjebrood.    

Ste-Enimie, “un des plus beau villages de France”, zegt het onderschrift bij de entree van dit middeleeuwse stadje. Na een bezoek aan de binnenstad kan ik dat moeilijk ontkennen.

Een lange klim volgt. In lange slierten zie ik de Tarn onder me in de diepte verdwijnen. Ik zweet als een otter. Vlak onder de top is er een point sublime: een uitzichtspunt met een magnifiek panorama over de cirque bij St-Chély.

Dan ben ik op Causse Méjean. Dertig jaar geleden was ik ook al verrast door de stilte en verlatenheid op deze hoogvlakte. Het geruis en het geroezemoes van de toeristische drukte uit de gorge vervagen. Tim Krabbé op pagina 37: “Causse Méjean. Wind. Zicht van twee minuten vooruit: niets. Ik richt me op en trek mijn ritssluiting dicht. Ik kijk om, ook niets. Jezes Kristes”.

Ik zie voor me eveneens een lege ruimte - een desolaat onherbergzaam landschap. Causse Méjean heeft een oppervlakte van ruim 100 km2, maar telt slechts 500 inwoners.

Ik passeer Mas St-Chély, een dorpje met wat huizen (mas betekent letterlijk huis). Een oude vrouw met een mand vol aardappelen steekt over. Ik volg een route van de Grand Randonnée, dwars door de steppe. Geen idee waar ik uitkom. Als ik uiteindelijk weer op asfalt arriveer stop ik en wacht op een automobilist, die ik kan vragen naar de weg. Tien minuten later verschijnt er eentje. Een Renault-bestelwagen. Het zijn warempel Nederlanders. Met hun uitleg ben ik binnen een kwartier via een golvend parcours op de plaats van bestemming. Onderweg passeer ik bij Hures-de-la-Parade een toeristische aankondiging dat hier heuse Przewalskipaarden verblijven. Niet vreemd dat zij hier, in dit Mongoolse steppelandschap, goed gedijen.

“Le causse Méjean, c’est une île sous le ciel” [een eiland onder de hemel], zegt de eigenaar van de gite d’etape ’s avonds laat, als hij mij als digustief een eau de noix [notenlikeur] inschenkt.

De volgende ochtend word ik gewekt door het geluid van een uil.

Stevenson neemt in het laatste hoofdstuk afscheid van Modestine: “Vaarwel, en als het voor altijd is –“.

 

[Robert Louis Stevenson, Reis met een ezel door de Cevennen. Met een voorwoord van Kees van Kooten. Uitgeverij Hoogland en Van Klaveren. 2008]

Het volgende citaat op pagina 51 is tijdloos: welke doorgewinterde reiziger herkent dit niet?

“Wat mezelf betreft, reis ik niet om ergens naartoe te gaan, maar om te gaan. Ik reis om te reizen. Het is een zaak van in beweging zijn, om de gebreken en de belemmeringen van ons bestaan echt te ondergaan, om het gespreide bedje van de beschaving te verlaten en te ontdekken dat de aarde onder je voeten van graniet is en bezaaid met scherpe vuursteentjes. Ach, naarmate we meer bereiken in het leven en meer in beslag worden genomen door onze beslommeringen, wordt zelfs een vakantie iets waaraan gewerkt moet worden. Een rugzak op een pakzadel vasthouden in een hagelstorm uit het koude noorden is geen hoogstaande arbeid, maar wel een inspanning die de geest bezighoudt en kalmeert. En als het heden zo veeleisend is, wie kan zich dan nog opwinden over de toekomst?”

 

[Praktisch]

Bezienswaardigheden

De Cevennen liggen in het Franse departement Lozére, ongeveer 1000 km ten zuiden van ‘ons’. Kenmerkend voor het landschap zijn de diepe rivierdalen met zijn gorges en de hoge kalkachtige plateaus, genaamd causses. De zomers kunnen extreem heet zijn. Veertig graden is niet uitzonderlijk. Op het hoogland daarentegen kan het kwik in de winter dalen tot minus 20. 

Stijgingspercentages zijn redelijk, incidenteel maximaal 10%. Het laatste komt vooral vóór op de spectaculaire haarspeld-klimmen vanuit de gorges naar de causses.

Behalve een ideale uitvalsbasis voor fietsen en/of wandelen is er beneden in de dalen ook ruimschoots gelegenheid voor het bedrijven van watersport. De Tarn bevat veel kanoverhuur.

De Cevennen staan ook bekend om hun stalactietengrotten (met name Dargilan) en haar breed tentoongespreide fauna. In la belvédère des vautours kunnen vale gieren geobserveerd worden. In Ste Eulalie is een bizonreservaat en in Marvejols een wolvenpark.

Zonder meer de moeite waard is een bezoek aan het Ecomusée du Mont Lozère in Le Pont-de-Montvert, met een mooi overzicht van de geschiedenis, naast informatie over geologie, fauna en volkscultuur.

 

Hoe kom je er?

Millau (beroemd om zijn viaduct met de meervoudige tuicontructie) is de bestgelegen halte per fietsbus. De TGV vanaf Brussel rijdt dagelijks en stopt in Nîmes (kijk op www.nmbs.be voor faciliteiten fietsvervoer).

Transavia vliegt op Montpellier. Ryan Air op Beziers (vanaf Weeze), en op Montpellier en Nîmes (beide vanaf Charleroi).

Maar je kunt uiteraard ook helemaal per fiets uit de lage landen ‘afzakken’ naar dit mooie natuurgebied. Verschillende reisgidsen wijzen je de weg.

Genoeg campings langs de Tarn en de Jonte. Causse Méjean telt er letterlijk en figuurlijk één, bij Hures-la-Parade.

 

Verder lezen?

Behalve de reeds genoemde boeken van Stevenson en Krabbé kan ik ook volgende literatuur aanbevelen:

Jean Carrière, De sperwer van Maheux. De Arbeiderspers Amsterdam, 1972. Een breed gelauwerde roman over het hardvochtige bestaan van de boerenfamilie Reilhan (inderdaad, Krabbé heeft de namen van de hoofdrolspelers in zíjn verhaal afgeleid van dit boek), prachtig neergeslagen tegen de achtergrond van de seizoenen, het landschap en de cultuur in de Cevennen.

Ton van Reen, In het spoor van de Camisards: een reisnovelle. Conserve Schoorl, 1987. Waarin de schrijver op zoek gaat naar de werkelijkheid achter het verhaal van Carrière.