Stop Making SenseAfgelopen zomer las ik “Op de fiets”, de Nederlandse vertaling van een boek geschreven door David Byrne. David Byrne, hmmm?, rings a bell, ja inderdaad, de leadzanger van Talking Heads, tevens beeldend kunstenaar. Wat is er zo bijzonder aan dit boek? Byrne geeft aan dat fietsen ook in de grote stad, tussen al het gemotoriseerde verkeer, goed mogelijk is. Tevens geeft hij aan hoe belangrijk dat fietsen voor hem is. Hij gebruikt de fiets om zich te verplaatsen van hotel naar theater, of naar expositieruimte en vice versa. Hij noemt niet alleen de tijdwinst die hem dat oplevert, maar ook de inspiratie voor zijn artistieke werk. Zoals Theo Jorna in zijn bespreking van dit boek voor het blad De Wereldfietser treffend aangeeft: “Fietsen blaast de gedachten uit je schedel, zodat die gevuld kan worden met indrukken. Byrne heeft het begrepen”. Zelf vertoefde ik afgelopen winter enige dagen in Parijs. Daar functioneert sinds enige jaren het Vélib-systeem. Een ingenieus netwerk van fietsen, goedkoop en praktisch, verspreid over legio distributiepunten in de stad. Luud Schimmelpennink probeerde het avant la lettre reeds in de 70-er jaren in Amsterdam met zijn ‘witte-fietsenplan’. Toen sloeg het niet aan, ondanks de schijnbaar naadloze aansluiting in die tijd met het flower-powergevoel. Vreemd, nu wel, of is dat niet vreemd? Boris Johnson, burgemeester van London, waar een soortgelijk initiatief bestaat, legt het als volgt uit: “het is groen en schoon, je ziet de schoonheid van de stad, je voelt je goed, ideeën worden uit je hoofd gepompt, het is een fantastische manier om te forensen”. (bron: BBC2, 16 september, documentaire “Ride of my life, the story of the bicycle”. Over de onweerstaanbaar enthousiaste Robert Penn, schrijver van “It’s all about the bike”.) Terug naar de keer dat ik op zo’n fiets door hartje Parijs reed. Ik kreeg er gemengde gevoelens bij. Enerzijds is het natuurlijk een genot om je op deze manier naar de mooiste plekjes van de stad te begeven (je bent per slot van rekening fietser in hart of nieren of niet). Anderzijds is het ook wel griezelen, tussen al die auto’s, glibberend over de keitjes van de Place de la Concorde, angstvallig de stoepranden ontwijkend. Het leek wel koorddansen. Voor een echt veilig gevoel is de overtuiging dat de andere verkeersdeelnemer rekening met je houdt toch een 1e noodzakelijke voorwaarde. Wat zullen al die toeristen of touringcarchauffeurs niet denken? Japanners die klikklakken met hun Kodakjes: “kijk daar, wat een vreemde soort!”. In een stad als Nijmegen tellen dat soort problemen veel minder. Gewoon omdat daar reeds een fietscultuur bestaat. En dat is best fijn om te constateren. En daarom is het ook zo revolutionair en aanmoediging waard om de geschetste initiatieven in steden als Parijs en London te starten. Daar is nog een oorlog te winnen voor de fiets. Dit laat onverlet dat óók in Nijmegen de fietser nog steeds goed uit zijn doppen moet kijken. Mijmeren op de fiets – iets wat ik graag doe – is riskant. Boris Johnson zegt dat hij op de fiets in zijn stad gedichten componeert. Knap, maar wel met valhelm, zag ik in de genoemde BBC-documentaire. Voor mij geldt dat ik bij die aandrang liever de stad uitvlucht, weg van alle stoorzenders. Gelukkig gaat dat hier, in het Rijk van Nijmegen, ook gemakkelijker dan in alle genoemde grootsteden. David Byrne is een dapper mens, een voorvechter, pionier in de strijd voor erkenning van de fiets als serieus vervoermiddel in de metropool . Ik verwacht niet dat hij met zijn band nog een keer in Doornroosje of De Vereniging zal optreden. Helaas, ik had hem hier graag per fiets willen rondleiden.
Marc Peeters
|