Taylor in het peloton

Ik ben een liefhebber van sport. Niet alleen actief door het zelf te beoefenen maar ook passief: ik vind het fascinerend om te zien hoe mensen het maximale uit hun kunnen proberen te halen. Soms gebeurt dat individueel, maar interessanter vind ik de takken van sport waar de individuele sporter afhankelijk is van de andere deelnemers. Dat kunnen mensen zijn uit je eigen team: hoe wordt er samengewerkt? Maar ook het gedrag ten opzichte van de tegenstrevers trekt mijn aandacht: wat is de taktiek?
De sport die mij het meest dierbaar is, is de wielersport, door onze zuiderburen kortweg aangeduid als ‘de koers’. Daar heb ik meerdere redenen voor. Eentje wil ik er hier uitlichten, namelijk de in principe zeer ruime mogelijkheden om zelf beslissingen te nemen. Dat ligt allereerst aan de lengte van de wedstrijd, een normale koers (eendagswedstrijd of etappe) duurt vaak zes uur. Ten tweede ligt het aan de variatie in het parcours. Alleen renners op de piste hebben te maken met continu dezelfde omstandigheden. Ten derde ligt dat voor mij aan het gegeven dat taktieken niet van te voren geprogrammeerd kunnen worden. Er is teveel onzeker: hoe zijn de benen, wat doet de concurrentie, en – last but not least – de intuïtie: beslissingen worden genomen in een ‘split second’ (anders spreken we van ‘getelefoneerde’ demarrages).

De laatste tijd zie ik echter met lede ogen de teloorgang van mijn geliefde sport. Al die aantrekkelijkheden die ik zojuist heb opgenoemd zijn er niet meer. Momenteel rijden de beste renners door Frankrijk. De etappes verlopen voorspelbaar en berekend. De essentie van sport is toch dat de wedstrijd en het resultaat onvoorspelbaar zijn? Dat sporters iets proberen, inzinkingen krijgen en die ook weer overwinnen. Urenlang worden er nu beelden de huiskamers ingeslingerd die alleen maar goed zijn voor meditatie of als slaapmiddel kunnen dienen.
We kunnen lang filosoferen over hoe dit komt. Er zou sprake zijn van nivellering, niemand steekt er boven uit. Er zou sprake zijn van angst: mocht je de man met de hamer tegenkomen, dan sta je daarna zonder genade ‘geparkeerd’. Het doping-spook zal er allicht ook iets mee te maken hebben.
Wat mij echter de meeste zorgen baart is de wijze waarop de laatste jaren de renners aangestuurd worden. Dankzij de moderne radiocommunicatie (populair aangeduid als de ‘oortjes’) kunnen ploegleiders continu informatie en instructies doorgeven aan hun werknemers. Dat lijkt verdomd handig, renners zijn nu continu op de hoogte van de stand van zaken. Mijns inziens is de situatie echter uit de hand gelopen. Het gevolg nu is dat renners geen beslissingen zelf meer hoeven te nemen. De ploegleider heeft de touwtjes in handen, hij voert de regie. In de woorden van Maarten Ducrot: de renners zijn gedegradeerd tot robots met spierbundels. Denken en doen zijn gescheiden, waar hebben we dat eerder gehoord?
Koersorganisatoren constateren dit ook en op een breed front wordt er nu gepleit om de ‘oortjes’ af te schaffen. Dit zou de aanvallers ook meer kansen bieden, want het achtervolgende peloton is veel minder op de hoogte van het wedstrijdbeeld, er kan dus veel minder gedoseerd en gecalculeerd gereden worden.
Afgelopen week kwam de Tourdirectie met het voorstel om een ‘oorloze etappe’ in te lassen. Een test zogezegd. Welnu, het fietsland was te klein voor alle protesten.
De ploegleiders vormden een alliantie: “de klok wordt teruggedraaid”, “de Tour wil dat renners en publiek onnodig gevaar lopen”, “het zijn nog altijd de renners die de beslissingen moeten nemen”. Dat laatste doet mij de wenkbrauwen fronsen. Mijn conclusie is alleen maar dat deze ploegbazen controle over hun personeel willen houden.
Nog verrassender is het standpunt van de renners zelf. Tom Boonen: “is dit een grap?”. Lance Armstrong: “ik voel me naakt”. De renners zijn het niet meer gewend. Ze voelen zich onmachtig. Moeten ze nu zelf initiatief nemen, en wat als dat verkeerd uitpakt, krijgen ze dan een pak voor hun broek van hun teamgenoten en de leiding? Aangeleerde hulpeloosheid, waar hebben we dat eerder gehoord?
Als er één renner is die op instinct en op intuïtie koerst dan is het Alberto Contador. Soms doet hij dingen die anderen in de ploeg helemaal niet fijn vinden, maar de wielerliefhebber zit op het puntje van zijn stoel. Zijn baas Johan Bruyneel is dat natuurlijk ook opgevallen, en begin dit jaar merkte hij al op dat Contador zich wat meer gedeisd moest houden, hij moest zich concentreren op de belangrijkste wedstrijden en niet altijd en overal ‘er in vliegen’. Toen ik dat hoorde heb ik de verder sympathieke man inwendig vervloekt. Daar wordt een talent gedrild en te grabbel gegooid.
Het beeld dat zich aftekent is dat van de Taylorisering van de wielersport. Belangen zijn kennelijk zo groot dat alles gecalculeerd moet worden. Verrassingen zijn uit den boze. Is de sport en het wereldje van de wielersport in het bijzonder dan inderdaad die afspiegeling van de samenleving, en onze bedrijven in het bijzonder?
In de loop van de vorige eeuw kwamen in organisatieland de ideeën van de Amerikaanse ingenieur Taylor in zwang. De ontwerpprincipes van hem en van zijn opvolgers waren gebaseerd op ‘control en demand’, op het uit elkaar halen van verantwoordelijkheden en bevoegdheden.
Door de veranderende tijdsgeest en door nieuwe inzichten zijn veel managers inmiddels op hun schreden teruggekeerd. Het uitvoerende personeel wordt weer ‘empowered’, dat is althans de intentie.
Wat is het realistische beeld voor de bedrijfstak van de wielersport? Kan het tij gekeerd worden? Ik hoop het laatste, en van belang daarvoor is dat de etappe van aanstaande vrijdag (de 2e oorloze etappe) leidt tot vuurwerk en spektakel.
Geef de sporter zijn spel terug, zijn vrijheid, zijn ‘drive’, zijn vakmanschap; geef hem het vertrouwen van het management. En geef het publiek weer de magie van de koers.

Marc Peeters is fietsrecreant en tot op heden enthousiast volger van de koers.