Verplaatsingsvermogen

Iedereen in Nijmegen kent wel ons nieuwe stadspark: de LIMOS. Vroeger een afgesloten terrein met militaire activiteiten, nu een recreatief gebied met een - zoals dat zo mooi heet - woonfunctie. Om de leefbaarheid te vergroten zijn auto’s niet toegankelijk, op een enkele toegangsroute voor de bewoners zelf. Prachtig!
Planologen en buitenarchitecten zijn jaren in de weer geweest om het geheel een landelijk beeld te geven – een zogenaamde oase in de stedelijke drukte. Fietsers kunnen het gebied doorkruisen. Eén van die routes loopt langs het Asiel-Zoekers-Centrum en basisschool De Muze richting Postweg - een heet hangijzer in de Nijmeegse fietspolitiek. Of het daardoor komt of niet, maar dat pad loopt niet lekker. Ik heb het dan niet over het asfalt – dat is van het meest glijerige soort wat je maar wensen kunt,  ZOAB wellicht. Nee, ik heb het over de loop, de bochten – ja, eigenlijk de afwezigheid daarvan. Extreem hoekig is de route. Naar links en dan weer naar rechts.  
 


Wat bezielt een ontwerper om zo’n constructie te bedenken? Op hun tekentafel ziet het er natuurlijk fantastisch uit: met de geodriehoek zijn de hoeken zeker 90?.
Wat denkt zo’n persoon eigenlijk: dat fietsers graag om het hoekje gaan? In de remmen, scherp bijdraaien, weer in de remmen, en dan nog een keer scherp sturen, en dan hebben we het weer gehad.
Pesterij lijkt het – bedacht vanuit de ivoren toren door een iezegrim die zich in het verleden vaker heeft geërgerd aan het roekeloze gedrag van fietsende medeweggebruikers?
De fietser ondergaat dit wereldvreemde besluit hoofdschuddend  –  in gelatenheid. Hij wil natuurlijk het liefst rechtdoor – maar een beetje cruisen is ook best leuk, in een chicane of een Tarzanbocht,  bij wijze van spreken. Go with the flow.
Dus trekt hij/zij zijn/haar eigen plan. De eerste de beste slimmerik schiet over het gras en maakt een vloeiende short cut. Fietsers zijn ook kuddedieren, dus na het eerste schaap volgen er meer en na verloop van tijd is duidelijk hoe het asfalt eigenlijk had moeten lopen. Het zandpad is het bezwaarschrift van de fietsers aan de constructeur. Wellicht heeft deze zich inmiddels al een keer met het schaamrood op de kaken incognito vertoond…
In de Vogelvrije Fietser staat ook een rubriek met de titel “Rare fratsen”, waarin de onhandigheid van verkeersplanners wordt geïllustreerd. Daar moet ik altijd om lachen.
Maar nu ik zelf met dergelijke klunzigheid word geconfronteerd, lach ik als een boer met kiespijn. Het lachen vergaat me helemaal als ik eindelijk denk rechtdoor richting Postweg te kunnen fietsen. Nee hoor, daar word ik als fietser door een soort tourniquet tegengehouden. Het signaal is duidelijk: fietsers mogen hier niet op het pad komen, en er dus ook niet af.  De reden ligt in de veranderde verkeersstructuur op de Postweg. Begrijpelijk. Maar waarom wordt dat dan niet eerder aangeven? Nu word ik verplicht om terug te fietsen – dat doe ik natuurlijk niet. Ik steek halverwege weer door, over het wellicht recent ingezaaide gras en kom zo alsnog uit bij de legale uitgang van het Limosterrein.
Wat een gedoe toch. Je kunt je kwaad maken, je schouders ophalen of grimmig je weg vervolgen. Verbijsterend vind ik echter dat de fietsrouteplanners zich zo weinig inleven in de uiteindelijke gebruikers.  Hun gebrekkig verplaatsingsvermogen in geestelijke zin leidt tot een gebrekkig verplaatsingsvermogen van de fietser in fysieke zin. Of is dit een wetmatigheid voor elke planner?  

Naschrift:

op maandag 10 maart verscheen er onverwacht een bulldozer op de bewuste plek. Toevalligerwijs fietste ik daarlangs. Ik vroeg terplekke wat er stond te gebeuren.
“Wij gaan hier een pad aanleggen”.
“Oh”, was mijn stomverbaasde reactie.
“Ja, als de fietsers dit willen, dan doen we dat maar”.
Kijk, er is dus nog hoop!  (En wellicht heeft bovenstaand stukje daar op telepathische wijze aan bijgedragen.)

Marc Peeters