Wat doet ie ons toch aan?

“Aaarggghhh”, de stuipen van E trekken samen, vanaf het moment dat ie hem aan hoort komen lopen. Dat begint met de doffe dreunen van zijn stappen op de trap naar boven. Soms is het loos alarm, dan blijkt ie slechts op weg naar de badkamer, of gaat hij slapen. In de loop der tijden heeft E echter een feilloze intuïtie ontwikkeld. Vaak in overleg met zijn buren, waartoe hij met name W, N en T rekent. Het is iets in die tred naar boven, waaruit een vastberadenheid of plan weerklinkt.
Als ie inderdaad tegenover hem (E en al die anderen dus) heeft plaatsgenomen is het uur U weer aangebroken. E ziet hem nog wat heen en weer schuiven, hij schuift wat papier opzij, hij bladert er wat in, wrijft eens wat door zijn haardos, en wacht tot het beeldscherm zich opent.


Een slurp van de koffie, en daar gaat ie. E ziet de vingers als mokers op zich afkomen, hij krimpt ineen, doet een schietgebedje, want het is maar de vraag of hij nu het slachtoffer is. De wijsvinger schiet langs hem heen. E hoort W in elkaar duiken. Poink! W is even weg, maar komt snel weer tevoorschijn. E slaakt een zucht van verlichting. Hij hapt naar ademt, want ongetwijfeld gaat ook hij eens weer voor de bijl. Daar schuift dat agressieve lange gevaarte al naar rechts, het zweeft even alsof de aanval gefinetuned moet worden. Pats, recht op A af. E krimpt ineen, een fantoomscheut door zijn hoofd. Ineens doemt er links van hem een andere wijsvinger op, pang, boven op T. E heeft zich vaker afgevraagd waarom ie nooit meer van die werktuigen inzet. N heeft hem wel eens verteld dat het in theorie mogelijk moet zijn om 10 van die verschillende wapens in te zetten. Het voordeel zou zijn dat je dan sneller van deze marteling (en dan met name dat kwellende voorspel) verlost zou zijn. Het nadeel is dat je het gevaar in dat woud van stormrammen niet ziet aankomen.


Daar is ie weer, hij hangt nu onder mij, verdomme, E bijt op zijn tanden, knijpt zijn ogen dicht, en leidt uit de windvlaag af dat het nu D is die een klap voor zijn kanis krijgt. Vreemd dat hijzelf nu nog steeds de dans ontspringt. In tijden van rust, als die onverlaat weg is, bekijken ze elkaar onderling wel eens. Dan is duidelijk op elkanders kruin te zien wie het meest de klos is. Bij E is zijn naamplaatje al vervaagd, min of meer weggefreesd. Er zijn er ook die rustig hun slaap kunnen vervolgen, met afgunst wordt er bijvoorbeeld gekeken naar Q, X en Y. Behalve die ene keer toen die eikel zijn mok met koffie over ons heen strooide. Mijn god, alsof we bedolven onder de lava allen brandden in hel. Ondersteund door het geschreeuw, gevloek en getier van die lul zelf. Dat gewrijf met tissues maakte het niet meteen aangenamer. De cijfertjes links lachten ons uit, zij hadden de dans ontsprongen.


Daar is tie weer, rechtstreeks neerdalend uit een boze bovenwereld. Oeff, hij zwenkt naar links. Poink, hard op O, die arme jongen. Waarom toch met zoveel geweld? Ze hebben mij wel eens verteld, dat het veel uitmaakt wie er daarboven aan het commando zit. Er schijnt wel eens een vrouw verschenen te zijn. Die behandelde ons veel minder hardhandig. Maar deze bruut ramt er maar op los.


Nee toch, het is zover, daar gaat ie, als een apocalyptische donderslag ramt de vinger op mijn kop, bam! De adrenaline giert door mijn lichaam, ik voel me de grond ingedrukt. Gelukkig herstel ik snel en voel ik me terug gekatapulteerd in de oude positie, alsof ik wil tonen: wie doet me wat?
Snel daarna (heeft de beul haast?) wordt mijn aspirant-buurman T getorpedeerd. Dan is er een moment dat de twee mokers twijfelen wie de volgende slag toebrengt. Het is uiteindelijk die linkse, bamm recht op T af. Snel schiet ie door naar rechts, nadat eerst nog even onze languitliggend naamloze collega een tik heeft gekregen, bamm de klap is voor O. Maar dan volgt er meteen weer een vloek, en wat geschimp. Iets wat zo vaak gebeurt met deze klootzak, uit zijn gekanker hoort E dat ie iets stoms heeft gedaan. Twee tikken op Backspace en Delete en terug begint ie met zijn foltering: I.


En ja hoor daar komt ie weer: kdeng. Hoe vaak kan ik dit nog verdragen. Aan de overkant van deze folterkamer zie ik het kerkhof van vergane voorgangers. Ook wij hebben niet het eeuwige leven. Hoe gaat dat dan met ons? Men vertelde mij ooit de meest afschuwelijke vizioenen: gedumpt in een container, tussen monitoren, obscure kasten en een wirwar van kabels.


Hij is driftig doorgegaan, er lijkt een staccato in zijn patroon te komen: O N S. E probeert er wel eens een patroon in te ontdekken, maar hij begrijpt geen biet van deze taal. Allen slechts nietige pionnetjes in het spel van een machtige kunstenaar.
T O C H, nee, het zegt E niets.


Die hooligan takelt nu twee maal achter elkaar A toe. Bamm bamm, gelijk een heipaal ramt ie A de grond in. E kan het met schuin oog zien gebeuren, slechts 2 posities van hem verwijderd. Een bokser scoort vooral in de nastoot, wordt wel eens gezegd. De eerste klap is een daalder waard, maar die erna, dat is de genadeslag.
A verrijst weer, als een Lazarus, schudt wat met zijn hoofd, en neemt zijn vertrouwde positie in. N was nog niet geweest, ja jongen, tu quoque.


En dan die curieuze capriool. Zijn rechter moker houdt Shift in de wurggreep en de linker gaat naar onze collega met dat rare symbool op zijn kop: ?
Pffft,tijd voor koffie.

Marc Peeters
Oktober 2016